ECLI:NL:GHSHE:2025:2567 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 23-09-2025 / 200.333.417_01
Samenvatting
Partijen en feiten [appellant] en [geïntimeerde] zijn broers. Automobielbedrijf [xx] B.V. (het autobedrijf) is opgericht en aanvankelijk geleid door hun ouders; het bedrijf huurde bedrijfsruimte van vader. Na het overlijden van moeder (2006) trad vader terug als bestuurder en werd [geïntimeerde] bestuurder. De arbeidsovereenkomst van [appellant] met het autobedrijf eindigde per 1 mei 2009. Vader kwam onder bewind en overleed op 5 april 2016; beide broers werden (beneficiair) erfgenaam. Het autobedrijf zei de huurovereenkomst bij brief van 26 november 2018 op (kortste termijn gelezen: 1 december 2019), maar betaalde sinds januari 2019 geen huur meer. Het autobedrijf werd op 25 september 2019 ontbonden (turbo-liquidatie ex art. 2:19 lid 4 BW). [appellant] sommeerde later [geïntimeerde] tot betaling van een bedrag van in totaal € 261.355,-- wegens achterstallige huur, schade door niet-oplevering, schulden e.d.
Procesverloop De rechtbank Maastricht verklaarde de vordering van [appellant] onder I niet-ontvankelijk en wees de vorderingen onder II (verklaring voor recht van persoonlijke bestuurdersaansprakelijkheid) en III (veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling aan de boedel) af; [appellant] werd in proceskosten veroordeeld. In hoger beroep voerde [appellant] drie grieven aan; hij wijzigde tevens zijn eis. [geïntimeerde] bestreed de grieven. Het hof hield mondelinge behandeling en berustte op de gedingstukken.
Rechtsvragen en toetsingskader Het geschil draait om (externe) bestuurdersaansprakelijkheid van [geïntimeerde] jegens de boedel/erfgenamen voor schulden van het autobedrijf, in het bijzonder achterstallige huur en schade wegens niet-oplevering. Het hof bevestigt het uitgangspunt dat normaal gesproken alleen de vennootschap aansprakelijk is; persoonlijke aansprakelijkheid van een bestuurder vergt dat hem een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt (Beklamel‑norm): de bestuurder moest bij het aangaan van verplichtingen hebben geweten of redelijkerwijs hebben moeten begrijpen dat de vennootschap die niet zou kunnen nakomen en geen verhaal zou bieden, tenzij de bestuurder omstandigheden aanvoert die dit verwijt wegnemen.
Beoordeling door het hof
- Beklamel‑norm 2009: [appellant] had onvoldoende gesteld dat [geïntimeerde] bij de overname in 2009 wist of redelijkerwijs behoorde te begrijpen dat de vennootschap de huurovereenkomst niet zou kunnen nakomen. Tegen de rechtbanksbevinding over 2009 is geen grief gericht; dit deel faalt.
- Niet‑oplevering/gebrakke toestand pand: het hof acht de stellingen van [appellant] onvoldoende feitelijk onderbouwd. Er was geen opleveringsrapport bij aanvang huur en, gelet op exploitatie als autobedrijf, is slijtage te verwachten. De vordering wegens niet-oplevering wordt afgewezen.
- Huurschuld en bestuurdersaansprakelijkheid voor januari–november 2019: het hof constateert dat het autobedrijf vanaf januari 2019 geen huur betaalde en dat [geïntimeerde] de huurovereenkomst had opgezegd. [appellant] stelde drie samenhangende verwijten: (1) [geïntimeerde] besloot vanaf januari 2019 alleen de boedel niet te betalen terwijl andere schuldeisers wel werden betaald; (2) hij liet de vennootschap turbo-liquideren terwijl naar het oordeel van het hof nog activa aanwezig waren; (3) hij zette de bedrijfsvoering voort op een andere locatie met gebruik van vennootschapsactiva zonder passende vergoeding aan de vennootschap/boedel. [geïntimeerde] heeft deze feiten onvoldoende gemotiveerd bestreden of gemotiveerde tegenbewijsstukken overlegd (zoals waardering van activa of bewijs dat er geen bate was). Het hof oordeelt dat het niet betalen van de huur over in elk geval januari–november 2019 in de gegeven omstandigheden persoonlijk ernstig verwijtbaar is en dat daardoor de boedel is benadeeld; het gevolg is aanvaarding van bestuurdersaansprakelijkheid voor die tekortkoming.
Gevolg en verdere afwikkeling
- Het hof vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover in hoger beroep aan de orde en wijst de (gewijzigde) vordering van [appellant] onder III toe voor zover deze ziet op schade als gevolg van de handelwijze van [geïntimeerde] met betrekking tot de turbo-liquidatie en de onbetaalde huur over de maanden januari–november 2019. De omvang van de schade kan niet op dit niveau concreet worden vastgesteld; de zaak wordt verwezen naar de schadestaatprocedure voor vaststelling van het bedrag. De vordering wegens niet-oplevering (III.c) en een algemene verklaring voor recht dat [geïntimeerde] aansprakelijk is voor “de schulden van het autobedrijf” (II) worden afgewezen wegens te algemeen of onvoldoende onderbouwd.
- Rentetoekenning: over de verschuldigde schadevergoeding is wettelijke rente ex artikel 6:119 BW verschuldigd (geen wettelijke handelsrente ex art. 6:119a).
- Proceskosten: het hof oordeelt dat de derde grief slaagt en veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van beide instanties ten gunste van [appellant]. Specificatie: eerste aanleg € 2.061,33; hoger beroep € 2.908,57; wettelijke rente over die kosten bij niet-betaling binnen veertien dagen; uitvoerbaar bij voorraad.
Slot Het arrest (23 september 2025) is gewezen door mrs. J.P. de Haan, P.W.A. van Geloven en M.C. Schepel.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
Bestuurdersaansprakelijkheid. Turbo-liquidatie.
Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team Handelsrecht
zaaknummer 200.333.417/01
arrest van 23 september 2025
in de zaak van
tegen
wonende te [woonplaats] , geïntimeerde, hierna aan te duiden als [geïntimeerde] , advocaat: mr. A. Carli te Geleen.
als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 28 november 2023 in het hoger beroep van het door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, onder zaaknummer C/03/300015 / HA ZA 21-633 gewezen vonnis van 14 juni 2023.
5 Het verloop van de procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-
het tussenarrest van 28 november 2023 waarbij het hof een mondelinge behandeling na aanbrengen heeft gelast;
-
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling na aanbrengen van 7 februari 2024;
-
de memorie van grieven tevens wijziging van eis, met producties 16 tot en met 21;
-
de memorie van antwoord tevens antwoord op wijziging eis, met producties 10 tot en met 13.
Nadat [appellant] arrest heeft gevraagd, heeft het hof een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken, de in het tussenarrest genoemde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
6 De beoordeling
6.1. In rov. 2.1 tot en met 2.13 van het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. Deze feiten zijn niet betwist en vormen ook in hoger beroep het uitgangspunt. Omwille van de leesbaarheid van dit arrest, zal het hof die feiten hierna opnieuw weergeven.
6.1.1. Partijen zijn broers. Automobielbedrijf [xx] B.V. (hierna ook: “het autobedrijf”) is opgericht en werd bestuurd door de ouders van partijen, [persoon A] (hierna: “vader”) en [persoon B] (hierna: “moeder”). Het autobedrijf is gevestigd (geweest) in de bedrijfsruimte aan [adres A] (hierna: “de bedrijfsruimte” of “het gehuurde”). De bedrijfsruimte was eigendom van de ouders respectievelijk de vader van partijen en werd ex artikel 7:230a BW verhuurd aan het autobedrijf. Partijen zijn werkzaam geweest in het autobedrijf van hun ouders, in dienst van het autobedrijf.
6.1.2. Moeder is op 17 december 2006 overleden. Het vermogen van vader is bij beschikking van de kantonrechter op 4 maart 2008 onder bewind gesteld, met benoeming van mr. J.J.M.C. Huppertz tot bewindvoerder. Vader is als bestuurder van het autobedrijf teruggetreden en door [geïntimeerde] opgevolgd.
6.1.3. De arbeidsovereenkomst van het autobedrijf met [appellant] is - via de bewindvoerder - per 1 mei 2009 beëindigd.
6.1.4. De bewindvoerder heeft de kantonrechter van de rechtbank bij brief van 26 november 2009 (productie 4, blad 3/4, inleidende dagvaarding) bericht dat vader (door de bewindvoerder ook als “rechthebbende” aangeduid) en het autobedrijf, ter zake de door het autobedrijf gehuurde bedrijfsruimte, het volgende hebben afgesproken:
De bewindvoerder heeft daarbij (op blad 5) over (de rol van) [geïntimeerde] bericht:
6.1.5. Sinds 2014 is [geïntimeerde] enig bestuurder/eigenaar van het autobedrijf.
6.1.6. Vader is overleden op 5 april 2016. Partijen zijn de wettige erfgenamen van de nalatenschap van vader. [geïntimeerde] heeft de nalatenschap van vader bij akte van 24 november 2016 beneficiair aanvaard. [appellant] , die geen keuze heeft gemaakt, wordt op grond van de wet (artikel 4:192 lid 4 BW) geacht de nalatenschap (eveneens) beneficiair te hebben aanvaard.
6.1.7. Partijen zijn er niet in geslaagd een boedelbeschrijving van de nalatenschap op te stellen waarmee zij beiden kunnen instemmen. Bij beschikking van de rechtbank van 3 maart 2020 (zaaknr. C/03260606 / HA RK 19-34) is mr. J van der Wende te Rosmalen benoemd tot vereffenaar van de nalatenschap van vader (productie 1, inleidende dagvaarding).
6.1.8. Het autobedrijf heeft bij brief van 26 november 2018 (productie 6, inleidende dagvaarding) en aanvullende brief van 20 december 2018 (randnr. 10, inleidende dagvaarding) de huurovereenkomst van de door haar gehuurde bedrijfsruimte per 1 december 2019 opgezegd.
6.1.9. [appellant] heeft via zijn advocaat, bij brief van 28 november 2018, het autobedrijf onder andere bericht dat het gehuurde moet worden opgeleverd voor het einde van de huurovereenkomst (productie 7, inleidende dagvaarding).
6.1.10. Het autobedrijf heeft sedert januari 2019 geen huur meer voldaan (randnr. 40, conclusie van antwoord).
6.1.11. [appellant] heeft het autobedrijf bij brief van 16 augustus 2019, onder andere, gesommeerd tot betaling van de achterstallige huur (productie 9 van [appellant] ).
6.1.12. Het autobedrijf is op 25 september 2019 vanwege financiële problemen ontbonden.
6.1.13. [appellant] heeft bij brief van 30 december 2020 [geïntimeerde] gesommeerd om wegens schade (o.a. door achterstallige huur, onvoldoende ontruiming bedrijfsruimte, schuld aan pensioenfonds, schuld aan ouders) een bedrag van in totaal € 261.355,00, vermeerderd met de wettelijke rente, over te maken naar de derdengeldrekening van de advocaat van [appellant] .
6.2.1. In eerste aanleg vorderde [appellant] , samengevat, dat de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. voor recht verklaart dat het autobedrijf aan de boedel verschuldigd is:
a. wegens achterstallige huur een bedrag van € 45.316,00, te vermeerderen met wettelijke rente; b. wegens contractueel verschuldigde boetes een bedrag gelijk aan het aantal maanden huurachterstand vermenigvuldigd met € 300,00 per maand, te vermeerderen met wettelijke rente; c. een vergoeding ter zake de niet oplevering en/of gebrekkige toestand van het pand, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met wettelijke rente; II. voor recht verklaart dat [geïntimeerde] als bestuurder van het autobedrijf op grond van externe bestuurdersaansprakelijkheid ex artikel 6:162 BW persoonlijk aansprakelijk is voor de schulden van het autobedrijf; III. [geïntimeerde] veroordeelt om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de boedel dan wel [appellant] q.q. te betalen:
a. wegens achterstallige huur een bedrag van € 45.316,00, te vermeerderen met wettelijke rente, b. wegens boetes (zie I. b) een bedrag gelijk aan het aantal maanden huurachterstand vermenigvuldigd met € 300,- per maand, te vermeerderen met wettelijke rente, c. wegens schade een bedrag als bedoeld in sub I onder c, vast te stellen bij staat en te vereffenen als volgens de wet, te vermeerderen met wettelijke rente; d. wegens buitengerechtelijke kosten een bedrag van € 3.397,68 althans € 1.902,96 althans een door de rechtbank te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente; IV. [geïntimeerde] veroordeelt in de kosten van het geding, te vermeerderen met wettelijke rente.
6.2.2. Op hetgeen [appellant] aan deze vorderingen ten grondslag heeft gelegd en de daartegen door [geïntimeerde] gevoerde verweren, zal het hof verderop in het arrest – voor zover van belang in hoger beroep – ingaan.
6.2.3. De rechtbank heeft [appellant] met betrekking tot de vordering onder I niet-ontvankelijk verklaard. Vervolgens heeft de rechtbank de vorderingen onder II en III afgewezen. Tot slot is [appellant] bij het vonnis waarvan beroep in de proceskosten veroordeeld.
6.3.1. [appellant] heeft in hoger beroep drie grieven aangevoerd. Hij heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot het alsnog toewijzen van zijn vorderingen zoals gewijzigd in het petitum van zijn memorie van grieven (blz. 14 en 15), hierna door het hof weergegeven in rov. 6.3.3.
6.3.2. Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden. Hij heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis waarvan beroep, afwijzing van de vermeerderde eis en veroordeling van [appellant] in de proceskosten in hoger beroep.
6.3.3. Middels zijn in hoger beroep gewijzigde eis vordert [appellant] , samengevat, dat het hof voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht verklaart dat het autobedrijf aan de boedel is verschuldigd:
a. wegens achterstallige huur een bedrag van € 45.316,=, te vermeerderen met de wettelijke rente ex art. 6:119a BW, althans art. 6:119 BW over de in die vordering begrepen achterstallige huurpenningen;
b. wegens daarover uit hoofde van de huurovereenkomst verschuldigde contractuele boetes, een bedrag gelijk aan het aantal maanden huurachterstand vermenigvuldigd met € 300,= per maand, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente ex art. 6:119a BW, althans art. 6:119 BW;
c. een vergoeding ter zake de niet oplevering en/of gebrekkige toestand van het pand, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met wettelijke rente;
II. voor recht verklaart dat [geïntimeerde] als bestuurder van het autobedrijf op grond van externe bestuurdersaansprakelijkheid ex artikel 6:162 BW persoonlijk aansprakelijk is voor de schulden van het autobedrijf;
III. [geïntimeerde] veroordeelt om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de boedel dan wel [appellant] q.q. te betalen:
a. wegens achterstallige huur een bedrag van € 45.316,=, vermeerderd met de wettelijke rente ex art. 6:119a BW, althans art. 6:119 BW over de in die vordering begrepen huurpenningen; b. wegens boetes (zie I. b) een bedrag gelijk aan het aantal maanden huurachterstand vermenigvuldigd met € 300,= per maand, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente ex art. 6:119a BW, althans 6:119 BW; c. wegens schade als bedoeld in sub I onder c, een bedrag, vast te stellen bij staat en te vereffenen als volgens de wet, vermeerderd met wettelijke rente; d. wegens buitengerechtelijke kosten een bedrag van € 3.397,68 althans € 1.902,96 althans een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag, vermeerderd met wettelijke rente.
Tot slot vordert [appellant] dat het hof [geïntimeerde] (ook zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad) veroordeeld in de kosten van beide instanties.
6.3.4. [geïntimeerde] heeft geen bezwaar gemaakt tegen de eiswijziging van [appellant] . Het hof ziet ook geen aanleiding de eiswijziging ambtshalve buiten beschouwing te laten wegens strijd met de goede procesorde. Recht zal worden gedaan op de gewijzigde eis.
6.4.1. Zoals vermeld, heeft [appellant] drie grieven aangevoerd. De eerste grief houdt in dat de rechtbank buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden. De tweede grief en de betwisting daarvan door [geïntimeerde] betreffen de kern van het geschil tussen partijen: bestuurdersaansprakelijkheid en de door [appellant] gestelde schulden aan de vennootschap. Met de derde grief klaagt [appellant] dat hij ten onrechte in de proceskosten in eerste aanleg is veroordeeld.
6.4.2. Gelet op de toelichting bij de grieven kan het hof de eerste en de tweede grief gezamenlijk behandelen. Dit zal het hof hierna eerst doen. Daarna komt de derde grief aan de orde.
6.4.3. Het hof stelt vast dat de grieven niet zijn gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring van [appellant] met betrekking tot de vordering onder I. Deze beslissing van de rechtbank is dus niet aan het oordeel van het hof onderworpen. Zo heeft [geïntimeerde] de omvang van het hoger beroep van [appellant] ook opgevat (memorie van antwoord, randnr. 6).
6.5.1. De eerste grief is gericht tegen overwegingen van de rechtbank over de situatie van het autobedrijf in 2009. Het hof deelt de mening van [appellant] dat die overwegingen niet relevant zijn voor de beoordeling van zijn vorderingen op grond van bestuurdersaansprakelijkheid. Deze grief kan op zichzelf evenwel niet leiden tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot het alsnog toewijzen van zijn vorderingen. Dit hangt af van de beoordeling van de tweede grief, waartoe het hof nu zal overgaan.
6.5.2. Volgens de tweede grief heeft de rechtbank in het vonnis waarvan beroep ten onrechte de aansprakelijkheid van [geïntimeerde] als bestuurder van de vennootschap voor de vorderingen van de boedel op de vennootschap afgewezen. [appellant] bepleit opnieuw dat er sprake is van bestuurdersaansprakelijkheid. In de toelichting van de grief geeft hij aan dat de rechtbank voorbij is gegaan aan een aantal belangrijke argumenten daarvoor van hem.
6.5.3. [geïntimeerde] heeft bestreden dat hij op grond van bestuurdersaansprakelijkheid aansprakelijk is. Bovendien betwist hij de vermeende schulden van de vennootschap aan de boedel. Deze betreffen de huurschuld (zie hiervoor rov. 6.3.3. onder III a en b) alsmede de schade wegens niet oplevering en/of gebrekkige toestand van het pand (zie hiervoor rov. 6.3.3. onder III c).
6.5.4. Ten aanzien van het toetsingskader voor bestuurdersaansprakelijkheid stelt het hof het volgende voorop. Indien een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, is uitgangspunt dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden is, naast aansprakelijkheid van die vennootschap, ook ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap. Voor het aannemen van bestuurdersaansprakelijkheid is vereist dat de bestuurder van de benadeling van de schuldeiser van de vennootschap persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Het antwoord op de vraag of de bestuurder persoonlijk een dergelijk ernstig verwijt kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval.
6.5.5. Ten grondslag aan zijn standpunt dat er sprake is van bestuurdersaansprakelijkheid heeft [appellant] met name in eerste aanleg schending van de zogenoemde Beklamel-norm gelegd. Het hof wijst op randnr. 24 van de inleidende dagvaarding. Met de Beklamel-norm doelt [appellant] op de regel dat, kort gezegd, persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder van de vennootschap kan worden aangenomen wanneer deze bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem ter zake van de benadeling geen persoonlijk verwijt gemaakt kan worden. Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] onvoldoende onderbouwd dat voldaan is aan de Beklamel-norm. Redengevend voor dit oordeel is het volgende. [appellant] stelt dat er sprake is van een huurschuld. [geïntimeerde] heeft in dit verband aangevoerd dat er ten tijde van de overname van de vennootschap (zijnde: Automobielbedrijf [xx] B.V.) geen sprake was van een situatie waarin de vennootschap niet aan haar verplichtingen in het kader van de huurovereenkomst zou kunnen voldoen. [appellant] heeft dat niet weersproken. De rechtbank heeft in het vonnis waarvan beroep in rov. 4.6.3 overwogen dat niet valt in te zien, zonder een voldoende feitelijke toelichting, die door [appellant] niet is gegeven, dat [geïntimeerde] in 2009 wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen uit hoofde van de huurafspraken zou kunnen blijven voldoen en in 2019 geen verhaal zou kunnen bieden voor een mogelijke huurachterstand. Tegen deze overweging van de rechtbank heeft [appellant] geen grief gericht. Ook overigens heeft [appellant] geen feiten of omstandigheden gesteld op grond waarvan bestuursaansprakelijkheid van [geïntimeerde] kan worden aangenomen wegens schending van de Beklamel-norm.
6.5.6. [appellant] heeft gesteld dat het autobedrijf het gehuurde niet (behoorlijk) heeft opgeleverd. Daardoor heeft de boedel schade geleden. Nu de vennootschap is ontbonden, heeft de boedel daar geen verhaal op. Aldus komt diens bestuurder als mogelijke aansprakelijke partij in beeld. Aldus – steeds – [appellant] . Ook op deze grond kan het hof geen bestuurdersaansprakelijkheid van [geïntimeerde] aannemen. [appellant] heeft in dit verband slechts enkele niet-onderbouwde stellingen ingenomen. Het hof verwijst naar randnrs. 35 tot en met 37 van de inleidende dagvaarding en het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 30 januari 2023 (blz. 3). [geïntimeerde] heeft een en ander in zijn processtukken en ter zitting betwist. Hij heeft aangegeven dat hij alles netjes heeft achtergelaten en de sleutels heeft ingeleverd. Het hof merkt op dat, als door [geïntimeerde] gesteld en door [appellant] niet betwist, tussen partijen vast staat dat er geen opleveringsrapport is gemaakt bij aanvang van de huur. Daarnaast is, nu er in het gehuurde een autobedrijf werd geëxploiteerd, de nodige veroudering en slijtage te verwachten. Bij gebrek aan feitelijke onderbouwing gaat het hof voorbij aan de stelling van [appellant] dat het autobedrijf het gehuurde niet (behoorlijk) heeft opgeleverd. De boedel heeft dan ook geen vordering op het autobedrijf vanwege een gebrekkige oplevering.
6.5.7. Het hof zal nu nader ingaan op de vraag of er sprake is van een huurschuld van het autobedrijf aan de boedel. De totale vordering van de boedel bedraagt ter zake volgens de berekening van [appellant] , exclusief rente, tenminste € 45.316,-. Zie voor deze berekening randnrs. 27 tot en met 32 van de inleidende dagvaarding.
Het hof stelt allereerst vast dat [geïntimeerde] namens de vennootschap de huur betreffende het bedrijfspand bij brief van 26 november 2018 heeft opgezegd
6.5.8. Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] in hoger beroep voldoende onderbouwd dat ten aanzien van deze huurschuld sprake is van bestuursaansprakelijkheid. Het feit dat [geïntimeerde] na het ontbindingsbesluit per 25 september 2019 geen bestuurder van de vennootschap meer was, maakt dat oordeel niet anders. Het hof begrijpt de stellingen van [appellant] aldus dat aan [geïntimeerde] in de kern een drietal verwijten worden gemaakt die in onderling verband beschouwd moeten leiden tot (bestuurs)aansprakelijkheid van [geïntimeerde] voor de onbetaald gelaten huurschuld. Ten eerste heeft [geïntimeerde] ervoor gekozen vanaf januari 2019 uitsluitend de boedel als schuldeiser met betrekking tot de huur niet te betalen en overige schuldeisers wel.
[geïntimeerde] heeft vervolgens besloten tot turbo-liquidatie van de vennootschap (Automobielbedrijf [xx] B.V.) ex artikel 2:19 lid 4 BW. Ten tijde van de ontbinding beschikte de vennootschap nog over diverse activa. Daarbij ging het onder meer om de overeenkomst van de vennootschap met Hertz en de door de vennootschap opgebouwde goodwill (klantenbestand) betreffende de autoverhuur. Ten derde heeft [appellant] aangevoerd, kort samengevat, dat [geïntimeerde] met gebruikmaking van de activa van de vennootschap, het bedrijf heeft voortgezet op een andere locatie zonder daarvoor de vennootschap een passende vergoeding te betalen.
[geïntimeerde] heeft dit alles onvoldoende gemotiveerd betwist. Hij heeft niet toegelicht waarom zijn keuze om uitsluitend de huur niet te betalen gerechtvaardigd was. Met betrekking tot de keuze voor turbo-liquidatie heeft hij volstaan met de stelling dat er geen baten meer waren op het moment van ontbinding van de vennootschap. Hij heeft hierover in deze procedure geen feitelijke gegevens verschaft, terwijl aangenomen moet worden dat hij daarover kan beschikken. Het bestaan van de overeenkomst met Hertz en de opgebouwde goodwill (klantenbestand) zijn niet door [geïntimeerde] betwist. Niet juist is zijn stelling dat het autobedrijf is geliquideerd nadat alle schulden waren afgelost. Er was immers nog sprake was van een huurschuld zoals in rov. 6.5.7 is overwogen.
[geïntimeerde] heeft niet betwist dat hij met gebruikmaking van de activa van de vennootschap het bedrijf heeft voortgezet op een andere locatie. Het hof gaat er daarom vanuit dat er wel nog activa waren die te gelde hadden kunnen worden gemaakt om de schulden van de vennootschap - al dan niet gedeeltelijk - te betalen. Niettemin heeft [geïntimeerde] de huurschuld van het autobedrijf, in het bijzonder de achterstallige huur over de maanden januari tot en met november 2019, niet voldaan. Dit niet betalen van de huur acht het hof in de gegeven omstandigheden persoonlijk ernstig verwijtbaar. Het hof komt tot de conclusie dat [geïntimeerde] de boedel heeft benadeeld door het onbetaald laten van in elk geval de achterstallige huur over de maanden januari tot en met november 2019 en het onverhaalbaar blijven van de desbetreffende vordering van de boedel op de vennootschap.
6.5.9. Het vorenstaande betekent het volgende voor de vorderingen onder II en III. Hoewel het hof [geïntimeerde] aansprakelijk acht, zal de vordering onder II niet worden toegewezen. Een verklaring voor recht dat [geïntimeerde] als bestuurder van het autobedrijf op grond van externe bestuurdersaansprakelijkheid ex artikel 6:162 BW persoonlijk aansprakelijk is voor ‘de schulden van het autobedrijf’, is te algemeen en onbepaald. Ook heeft [appellant] daarbij geen zelfstandig belang naast de toewijzing van de vordering onder III. De vordering onder III kan het hof wel toewijzen, zij het gewijzigd. Op grond van de ter beschikking staande gegevens kan het hof de omvang van de schade aan de boedel die het gevolg is van de handelwijze van [geïntimeerde] inzake de turbo-liquidatie niet concreet begroten. Daarbij is namelijk ook van belang wat de waarde is van de activa die te gelde konden worden gemaakt op het moment van ontbinding van de vennootschap. Die waarde kan op basis van de overgelegde processtukken niet worden bepaald. Voorts is voor het vaststellen van de precieze huurschuld van de vennootschap ook nader feitenonderzoek en mogelijk bewijslevering nodig. Dit geldt in elk geval voor de gestelde huurschuld voor zover die niet de bij dit arrest vastgestelde huurschuld met betrekking tot januari tot en met november 2019 betreft (zie rov. 6.5.7., laatste alinea). De mogelijkheid van schade is evenwel zonder meer aannemelijk. Daarom zal de zaak worden verwezen naar de schadestaatprocedure. In die zin is de vordering onder III toewijsbaar en slaagt grief 2. Niet toewijsbaar is de vordering strekkende tot een vergoeding ter zake de niet oplevering en/of gebrekkige toestand van het pand (de vordering onder III, onder c) gelet op hetgeen hiervoor is overwogen in rov. 6.5.6. Het hof voegt daaraan toe dat [geïntimeerde] over de te betalen schadevergoeding wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek (en niet wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW) verschuldigd zal zijn, nu het gaat om schadevergoeding. Of [geïntimeerde] buitengerechtelijke kosten verschuldigd is (zie de vordering onder III, onderdeel d), zal moeten blijken in de schadestaatprocedure.
6.6. Met de derde grief klaagt [appellant] dat hij ten onrechte in de proceskosten in eerste aanleg is veroordeeld. Deze grief slaagt. Omdat de kern van het geschil de bestuurdersaansprakelijkheid betreft en [appellant] op dit punt het gelijk aan zijn zijde heeft, ziet het hof aanleiding om [geïntimeerde] geheel in de kosten te veroordelen. Nu de zaak naar de schadestaatprocedure zal worden verwezen, zal het hof daarvoor tarief II (onbepaalde waarde) van het liquidatietarief hanteren.
6.7.1. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het vonnis waarvan beroep voor zover in hoger beroep aan de orde (zie hiervoor rov. 6.4.3) dient te worden vernietigd. Het door [appellant] gevorderde zal worden toegewezen als hierna in het dictum is vermeld. Aan bewijslevering komt het hof niet toe. Overigens hebben partijen ook niet een terzake dienend en voldoende geconcretiseerd en gespecificeerd bewijsaanbod gedaan.
6.7.2. Het hof zal [geïntimeerde] als de (overwegend) in het ongelijk gestelde partij in de kosten van beide instanties veroordelen. De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [appellant] zullen worden vastgesteld op:
- Explootkosten€ 121,33
- Griffierecht€ 445,-
- Salaris advocaat/gemachtigde
€ 1.495,- (2½ punt x tarief II)
Totaal€ 2.061,33
De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [appellant] zullen vastgesteld worden op:
- Explootkosten€ 126,57
- Griffierechten€ 783,-
- Salaris advocaat€ 1.821,- (1½ punt x tarief II)
- Nakosten
€ 178,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal€ 2.908,57
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
7 De uitspraak
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan de orde in hoger beroep;
in zoverre opnieuw recht doende:
veroordeelt [geïntimeerde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de boedel te betalen wegens schade uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid, een en ander zoals uiteengezet in rov. 6.5.8., een bedrag, vast te stellen bij staat en te vereffenen als volgens de wet;
veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van de eerste aanleg van € 2.061,33 en van het hoger beroep van € 2.908,57, te betalen binnen veertien dagen na heden. Als [geïntimeerde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet hij € 92,- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;
veroordeelt [geïntimeerde] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na heden zijn voldaan;
verklaart voormelde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.P. de Haan, P.W.A. van Geloven en M.C. Schepel en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 23 september 2025.
griffierrolraadsheer