ECLI:NL:GHDHA:2026:2426 Gerechtshof Den Haag , 21-07-2026 / 200.201.149/02
Samenvatting
Het gerechtshof Den Haag (arrest 21 juli 2026, zaaknr. 200.201.149/02) doet uitspraak in het hoger beroep van [appellante] tegen Dexia Nederland B.V. inzake twee effectenleaseovereenkomsten (nr. [nummer 1] en [nummer 2]) die via tussenpersoon Spaar Select BV tot stand zijn gekomen. [appellante] vordert volledige schadevergoeding omdat Spaar Select zonder vergunning beleggingsadvies zou hebben gegeven en Dexia daarvan op de hoogte was of dat had moeten zijn. Dexia vorderde in eerste aanleg (en voerde in hoger beroep) dat zij aan al haar verplichtingen had voldaan. De kantonrechter had eerder (9 dec. 2015) geoordeeld dat Dexia aan haar verplichtingen had voldaan, behoudens een rentebetaling van € 5,48, en [appellante] in de proceskosten veroordeeld. Het hof vernietigt dit vonnis.
Feiten en procesverloop
- Tussen [appellante] en Dexia zijn twee effectenleaseovereenkomsten gesloten na bemiddeling door Spaar Select. Deze feiten, zoals door de kantonrechter vastgesteld, blijven onbestreden.
- In hoger beroep heeft [appellante] vijf grieven aangevoerd en primair gesteld dat Spaar Select vergunningplichtig advies heeft gegeven en dat Dexia dit wist of behoorde te weten, zodat Dexia onrechtmatig handelde (artikel 6:162 BW).
- Dexia voerde onder meer verjaring, schending van de klachtplicht en betwisting van feitelijke adviestaferelen aan en deed een bewijsaanbod.
Beoordeling door het hof — kernpunten van het rechtsoordeel
- Verjaring en stuiting
- Dexia’s verjaringsverweer faalt. De vordering is een actie wegens onrechtmatige daad (3:310 lid 1 BW) en verjaring is door stuiting terecht onderbroken. Het hof acht de sommatiebrieven (waaronder die van 30 augustus 2007 en brieven van okt. 2009 en jan. 2012) voldoende duidelijk en in context gesteld om verjaring te stuiten; eis tot precieze juridische kwalificatie in die brieven is niet vereist.
- Klachtplicht
- Het beroep op de klachtplicht (art. 6:89 BW) faalt omdat die regeling ziet op tekortkomingen bij nakoming van verbintenissen, niet op vorderingen uit onrechtmatige daad.
- Juridisch toetsingskader voor onrechtmatigheid
- Dexia handelt onrechtmatig indien (a) de tussenpersoon als cliëntenremisier tevens vergunningplichtig financieel advies heeft gegeven zonder vergunning en (b) Dexia daarvan wist of behoorde te weten. Subjectieve kennis van Dexia is niet vereist; een objectieve ‘behoren te weten’-norm geldt.
- Het hof volgt het adviesbegrip van de Hoge Raad (prejudiciële beslissing HR 10 juni 2022): er is sprake van vergunningplichtige advisering wanneer een tussenpersoon een gepersonaliseerde aanbeveling doet, d.w.z. een product voorstelt als geschikt voor die specifieke klant of berust op een afweging van diens persoonlijke omstandigheden. Relevant zijn onder meer of de tussenpersoon heeft geïnformeerd naar financiële omstandigheden en doelen, alternatieven heeft besproken of andere producten heeft geadviseerd.
- Toepassing op de onderhavige feiten
- [appellante] heeft toegelicht dat Spaar Select haar en haar echtgenoot op huisbezoek informeerde, naar inkomen en vermogensdoel vroeg, een specifiek Dexia-product (“Allround Sparen”) als geschikt presenteerde en concrete betaalbedragen besprak. Deze feiten – ondersteund door producties en consistent met de gangbare werkwijze van tussenpersonen – volstaan volgens het hof om aan te nemen dat Spaar Select vergunningplichtig advies heeft gegeven.
- Dexia’s betwisting was onvoldoende gemotiveerd; het bewijsaanbod wordt niet gehonoreerd. Het hof houdt daarnaast mee dat Dexia bedrijfsmatig via tussenpersonen (commissiebasis) distribu‑eerde, en uit openbare bronnen (jaarverslag 1997, artikelen en eigen communicaties rond 1998–2000) duidelijk was dat die tussenpersonen persoonlijke adviezen gaven. Dexia had moeten nagaan of die tussenpersonen voldeden aan artikel 41 NR 1999 en kon zich niet beroepen op het toezicht van de STE/AFM als vrijwaring.
- Conclusie over onrechtmatigheid
- Het hof oordeelt dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld omdat Spaar Select vergunningplichtig advies gaf en Dexia daarvan wist of behoorde te weten. Grief 1 van [appellante] slaagt; het bestreden vonnis wordt vernietigd.
Schadevaststelling en vergoedingsomvang
- Dexia is hoofdelijk aansprakelijk voor volledige schade. De voor vergoeding in aanmerking komende schade omvat de door [appellante] betaalde inleg (termijnbetalingen en eventuele aflossingen minus (dividend)uitkeringen) en het niet-vergoede deel van een eventuele (fictieve) restschuld, onder aftrek van genoten voordelen (o.a. fiscale voordelen) en eerdere uitkeringen. De berekening kan worden gebaseerd op een door Dexia overgelegd financieel overzicht dat door [appellante] niet voldoende bestreden is. Wettelijke rente is verschuldigd vanaf de dag van ieder betaald gedeelte. Als eerder al uitbetaling volgens het ‘Hofmodel’ heeft plaatsgevonden, moet Dexia nog een extra derde van de restschuld vergoeden, met rente vanaf de datum van betaling door [appellante].
- Een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten wordt niet toegewezen (niet gevorderd).
Proceskosten en uitvoerbaarheid
- Het hof veroordeelt Dexia in proceskosten van eerste aanleg (€180) en van hoger beroep (specificatie: griffierecht €314, exploot €94,08, salaris advocaat €2.580 (2 punten × appeltarief II), nakosten €189). Het arrest is uitvoerbaar bij voorraad.
Slotopmerking
- Omdat Dexia in het ongelijk is gesteld, wordt de eerdere veroordeling van [appellante] in proceskosten in eerste aanleg herroepen. Het hof wijst verder (nader) bewijsaanbod van Dexia af omdat diens betwisting onvoldoende feitelijk en concreet was onderbouwd.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
Dexia / Advisering / Wetenschap / Tussenpersoon / Spaar Select
Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG Civiel recht Team Handel
Zaaknummer hof: 200.201.149/02 Zaaknummer rechtbank:: 2951437 /CV EXPL 14-2185
Arrest van 21 juli 2026
in de zaak van
tegen
Dexia Nederland B.V., gevestigd in Amsterdam, geïntimeerde, hierna te noemen: Dexia, advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer, kantoorhoudende in Amsterdam.
1 De procedure in eerste aanleg
Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg verwijst het hof naar het vonnis van 9 december 2015 van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag, locatie Leiden.
2 De procedure in hoger beroep
2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding in hoger beroep;
- het herstelexploot in hoger beroep;
- de memorie van grieven met producties;
- de memorie van antwoord met producties;
- de nadere akte van [appellante] ;
- de antwoordakte van Dexia;
- de akte uitlaten jurisprudentie met productie van [appellante] ;
- de antwoordakte met producties van Dexia.
2.2. Het hof heeft een datum bepaald voor arrest. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
3 De kern van de zaak
3.1. Deze zaak gaat over effectenleaseovereenkomsten, tot stand gekomen tussen Dexia en [appellante] via een tussenpersoon, Spaar Select BV (hierna: Spaar Select). In hoger beroep is aan de orde de vraag of [appellante] is geadviseerd door een tussenpersoon die niet de daarvoor vereiste vergunning had, terwijl Dexia dat wist, dan wel behoorde te weten. Als deze tussenpersoon beleggingsadvies heeft gegeven en Dexia dat wist, dan wel behoorde te weten, heeft Dexia onrechtmatig gehandeld en moet zij de volledige schade van [appellante] vergoeden.
3.2. Dexia heeft - zakelijk weergegeven - gevorderd dat de kantonrechter bij vonnis, zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor recht verklaart dat Dexia ten aanzien van de tussen haar en [appellante] gesloten effectenleaseovereenkomsten met nummers [nummer 1] en [nummer 2] (hierna: de effectenleaseovereenkomsten) aan al haar verplichtingen heeft voldaan en niets meer aan [appellante] is verschuldigd, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten.
3.3. De kantonrechter heeft voor recht verklaard dat Dexia, met uitzondering van haar verplichting om aan [appellante] een bedrag te betalen van € 5,48 (zijnde de wettelijke rente) te vermeerderen met verdere rente, aan al haar verplichtingen uit hoofde van de effectenleaseovereenkomsten heeft voldaan en op grond daarvan niets meer aan [appellante] verschuldigd is. [appellante] is daarbij in de proceskosten veroordeeld.
4 De beoordeling
4.1. Het hof verwijst naar het bestreden vonnis voor de feiten die de kantonrechter heeft vastgesteld onder ‘Feiten’. Deze feiten zijn niet bestreden, zodat ze ook in hoger beroep het uitgangspunt vormen.
4.2. In hoger beroep heeft [appellante] vijf grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en (alsnog) afwijzing van de vorderingen van Dexia.
4.3. Dexia heeft geconcludeerd tot verwerping van de aangevoerde grieven en tot bekrachtiging van het bestreden vonnis.
4.4. Dexia heeft een beroep gedaan op verjaring van de vordering van [appellante] . Dat beroep gaat niet op. De vordering van [appellante] is gebaseerd op een onrechtmatige daad van Dexia. Deze vordering verjaart door verloop van vijf jaren vanaf het moment waarop [appellante] daadwerkelijk bekend is geworden met de schade en de aansprakelijke persoon (artikel 3:310 lid 1 BW). De verjaring kan worden gestuit door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht voorbehoudt (artikel 3:317 lid 1 BW). Of de schriftelijke mededeling voldoet als stuitingshandeling hangt niet alleen af van de inhoud van de mededeling, maar ook van de context waarin deze werd gedaan en de overige omstandigheden van het geval. Anders dan Dexia lijkt te betogen, kan aan een mededeling als bedoeld in artikel 3:317 lid 1 BW niet de eis worden gesteld dat daarin een precieze feitelijke en juridische inkleding wordt gegeven waarop het vorderingsrecht zijn grondslag vindt.
4.5. Gelet op de inhoud van de sommatiebrieven en de context waarin deze aan Dexia zijn gestuurd, moet het Dexia duidelijk zijn geweest dat zij rekening moest houden met de mogelijkheid dat de vordering van [appellante] alsnog geldend gemaakt zou worden. Ook moet het Dexia duidelijk zijn geweest tegen welke (toekomstige) vordering van [appellante] zij zich in dat geval zou moeten verweren. In de sommatiebrief van 30 augustus 2007 staat immers welke verwijten [appellante] Dexia maakt ter zake van de effectenleaseovereenkomst, waaronder dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld. De onderhavige vordering van [appellante] is gegrond op artikel 6:162 BW. Het feit dat [appellante] aanvoert dat Dexia een wettelijke plicht heeft geschonden, namelijk artikel 41 NR 1999, betekent niet dat er sprake is van een van de onrechtmatige daad-grondslag te onderscheiden vordering gegrond op artikel 41 NR 1999. Voor het stuiten van de vordering op grond van onrechtmatige daad was het niet nodig dat [appellante] ook expliciet in haar stuitingsberichten vermeldde dat zij Dexia onrechtmatig handelen verweet specifiek (ook) op grond van artikel 41 NR 1999. Dexia heeft verder niet de ontvangst van de stuitingsbrieven van oktober 2009 en januari 2012 betwist, noch betwist dat [appellante] op de lijst stond van namen behorende bij deze brieven. Gelet daarop gaat ook het hof daarvan uit.
4.6. De conclusie is dat [appellante] de verjaring heeft gestuit, zodat het beroep van Dexia op verjaring faalt.
4.7. Het beroep van Dexia op schending van de klachtplicht gaat niet op. De klachtplicht heeft betrekking op gebrekkige prestaties, dat wil zeggen prestaties van een schuldenaar die niet aan de verbintenis beantwoorden. Artikel 6:89 BW geldt dus niet voor een vordering uit onrechtmatige daad, waarvan hier sprake is (HR 13 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1176 , rov. 3.6).
4.8. Dexia handelt als aanbieder van een effectenleaseovereenkomst ten opzichte van [appellante] onrechtmatig, indien voorafgaand aan de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst met [appellante] (a) een cliëntenremisier tevens als financieel adviseur is opgetreden zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning, en (b) Dexia hiervan op de hoogte was of behoorde te zijn. Daadwerkelijke (subjectieve) bekendheid van Dexia met de advisering aan [appellante] is dus niet vereist. Vast staat dat bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomsten met [appellante] Spaar Select als cliëntenremisier is betrokken en dat deze niet beschikte over een vergunning om te adviseren. Het hof moet beoordelen of in dit geval is voldaan aan de hiervoor onder (a) en (b) genoemde vereisten met betrekking tot ‘advisering’ en ‘wetenschap’. Is dat het geval, dan heeft Dexia onrechtmatig gehandeld en is zij schadeplichtig. Verder geldt in dat geval dat een beroep van Dexia op eigen schuld van de afnemer geen succes heeft, omdat de billijkheid in een dergelijk geval in beginsel eist dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft. De inhoud van het advies van de cliëntenremisier of een eventueel eigen inzicht van de afnemer in het af te nemen effectenleaseproduct is ook niet meer van belang.
4.9. Er is sprake van niet-toegestane advisering, indien een tussenpersoon in het kader van zijn beroep of bedrijf aan een afnemer een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan tot het aangaan van een specifieke effectenleaseovereenkomst of een ander specifiek financieel product. Voor de beoordeling of sprake is van een dergelijke gepersonaliseerde aanbeveling is vereist, maar ook voldoende, dat een effectenleaseproduct is voorgesteld als geschikt voor deze afnemer, of berust op een afweging van de persoonlijke omstandigheden van de afnemer. Voor de beoordeling of de tussenpersoon een aanbeveling heeft gedaan die berust op een afweging van persoonlijke omstandigheden van de afnemer is van belang of de tussenpersoon al dan niet:
- i) heeft geïnformeerd naar de financiële omstandigheden en financiële doelen van de afnemer;
- ii) ook andere mogelijke effectenleaseproducten heeft genoemd en besproken dan het uiteindelijk afgenomen product;
- iii) naast of in samenhang met het afgenomen effectenleaseproduct een ander financieel product heeft geadviseerd.
Maar ook als deze omstandigheden in een concreet geval niet worden vastgesteld, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer. Hoewel een zodanige, niet op een afweging van persoonlijke omstandigheden berustende aanprijzing onder omstandigheden mogelijk ook als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd, gaat de tussenpersoon daarmee niettemin de reikwijdte van zijn vrijstelling te buiten.
4.10. [appellante] heeft een concrete uiteenzetting gegeven van de wijze waarop Spaar Select in dit geval heeft bemiddeld bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst, onder meer onder “Advisering door Spaar Select” in het eerste processtuk van [appellante] in eerste aanleg, waarnaar zij bij memorie van grieven heeft verwezen. De stellingen van [appellante] komen, samengevat, op het volgende neer. De echtgenoot van [appellante] werd benaderd door Spaar Select en stelde voor om een huisbezoek in te plannen om de financiële situatie van de echtgenoot met een medewerker van Spaar Select door te nemen. Daarna hebben meerdere gesprekken bij [appellante] en haar echtgenoot thuis plaats gevonden. [appellante] was bij alle gesprekken aanwezig. Een door [appellante] in haar processtukken bij naam genoemde medewerker heeft tijdens het adviestraject geïnformeerd naar de wensen en financiële situatie van [appellante] en haar echtgenoot. Er is gesproken over het inkomen van [appellante] en haar echtgenoot en hun wens om gezamenlijk vermogen op te bouwen. De medewerker gaf aan dat hij een geschikt product voor deze doelstelling had. De medewerker adviseerde [appellante] om twee Allround Sparen overeenkomsten van Dexia af te sluiten. Met de medewerker is eveneens besproken welk bedrag van het salaris [appellante] maandelijks beschikbaar had voor dit product. [appellante] heeft op het advies vertrouwd en het advies opgevolgd. Op deze wijze is [appellante] de overeenkomsten aangegaan, aldus [appellante] .
4.11. Dexia heeft de stellingen over wat feitelijk tussen [appellante] en de betrokken tussenpersoon is voorgevallen betwist. Dexia betoogt dat uit de blote – en overigens ook onjuiste – stellingen van [appellante] en de overgelegde producties niet volgt dat Spaar Select vergunningplichtig advies heeft uitgebracht aan [appellante] . Dexia wijst er daarnaast op dat er rekening mee dient te worden gehouden dat de stellingen van [appellante] sjabloonmatig zijn opgesteld. Dexia meent dat deze omstandigheid een zwaarwegende aanwijzing vormt voor de onjuistheid van de stellingen van [appellante] . Dexia stelt dat het onjuist is dat Spaar Select een vaste werkwijze had, waarbij altijd een gepersonaliseerde aanbeveling werd gegeven. Daarbij wijst Dexia onder meer op een verklaring van de oprichter en toenmalig bestuursvoorzitter van Spaar Select, waaruit volgens Dexia blijkt dat het doen van een gepersonaliseerde aanbeveling voor het jaar 2000 geen deel was van de werkwijze van Spaar Select. Van Dexia kon niet worden verlangd dat zij destijds onderzoek verrichtte naar de werkwijze van de tussenpersoon bij [appellante] en relevante gegevens hierover verzamelde, omdat in dat geval twee decennia na dato nieuwe regels op Dexia van toepassing worden verklaard die destijds niet golden. Een dergelijke verplichting vindt ook geen steun in het recht en het verzaken van deze (vermeende) verplichting kan niet ertoe leiden dat de stellingen van [appellante] voor waar worden gehouden. Dexia is dan ook van mening dat haar bewijsaanbod moet worden gehonoreerd.
4.12. Dexia heeft ook nog aangevoerd dat de stellingen van [appellante] lacunes vertonen. Zo geeft Dexia aan dat [appellante] in haar conclusie van antwoord enkel aan de medewerker heeft kenbaar gemaakt wat haar doelstelling was, maar is niet met de medewerker haar financiële situatie besproken. Op basis hiervan kan geen gepersonaliseerde aanbeveling zijn gegeven. In haar laatste akte wijzigt [appellante] haar stellingen dan ook op wezenlijke punten ten opzichte van haar conclusie van antwoord en memorie van grieven, uit welke stukken niet blijkt dat inzicht is verkregen in haar financiële omstandigheden. Omdat [appellante] haar stellingen in haar memorie van grieven ook niet heeft uitgebreid, dienen aanvullende stellingen of nieuwe verweren van [appellante] dan ook als tardief te worden beschouwd.
4.13. Het hof overweegt als volgt. In de vele andere procedures die Dexia over de effectenleaseproblematiek heeft gevoerd, zijn stukken in het geding gebracht waaruit duidelijk is geworden dat Dexia voor de distributie van haar effectenleaseproducten op grote schaal tussenpersonen heeft ingezet. Ook in deze procedure heeft [appellante] deze stukken (deels) overgelegd. Dexia maakte gebruik van tussenpersonen juist omdat die hun cliënten zouden kunnen adviseren een effectenleaseproduct af te nemen. Zij wist, dan wel behoorde te begrijpen, dat de bij haar aangesloten tussenpersonen de afnemers niet slechts in algemene zin over deze producten pleegden te informeren. Zo volgt (onder meer) uit het jaarverslag van (de rechtsvoorgangster van) Dexia over 1997, een artikel uit Het Financieele Dagblad van 22 april 1998, de tekst op de website van Dexia op 11 mei 2000 en een interview met de directeur beleggingsproducten van Dexia in het tijdschrift ‘Het effect Spaar Select’ uit 2000 dat Dexia bewust gebruikmaakte van tussenpersonen als afzetkanaal, juist omdat zij belangstellenden van een persoonlijk advies konden voorzien.
4.14. Door deze bedrijfsmatige opzet waarmee effectenleaseproducten door tussenpersonen werden verkocht, heeft Dexia gefaciliteerd en bevorderd dat tussenpersonen (die doorgaans op commissiebasis werkten) een specifiek op de persoon toegesneden advies gaven aan (potentiële) afnemers, terwijl het juist op de weg van Dexia had gelegen na te gaan wat de aard van de betrokkenheid van de tussenpersoon was en of er al dan niet sprake was van (verboden) vergunningplichtige advisering door de tussenpersoon. Dexia voert aan dat op haar geen ‘rechtsplicht’ rust om de werkwijze van de tussenpersoon te controleren. Echter, dat neemt niet weg dat het Dexia niet was toegestaan om een effectenleaseovereenkomst te sluiten als de tussenpersoon beleggingsadvies had gegeven zonder over een vergunning te beschikken. Dexia had niet haar ogen mogen sluiten voor het feit dat tussenpersonen niet slechts zelden in algemene zin de afnemers pleegden te informeren over effectenleaseproducten. Voor zover Dexia erop heeft vertrouwd dat de Stichting Toezicht Effectenverkeer (STE; nu AFM) erop zou toezien dat de tussenpersonen niet handelden in strijd met de wet, komt dit voor haar rekening en risico. Dat Dexia de stellingen van [appellante] inmiddels slechts bij gebrek aan wetenschap kan betwisten, is dan ook het gevolg van haar eigen nalatigheid en komt daarom voor haar rekening en risico.
4.15. Naar het oordeel van het hof moet de door [appellante] geschetste betrokkenheid van de tussenpersoon bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst, worden gekwalificeerd als vergunningplichtige advisering. Uit de stellingen van [appellante] volgt namelijk dat (i) [appellante] haar financiële situatie en wensen met Dexia heeft besproken, (ii) [appellante] het financiële doel aan de tussenpersoon bekend heeft gemaakt, (iii) de tussenpersoon vervolgens een specifiek effectenleaseproduct van een specifieke aanbieder heeft geadviseerd. Deze stellingen volstaan in ieder geval voor de conclusie dat de tussenpersoon het effectenleaseproduct aan [appellante] heeft voorgesteld als geschikt voor [appellante] , en dat op die grond sprake is van een gepersonaliseerde aanbeveling. Aan Dexia kan worden nagegeven dat het betoog van [appellante] bij akte nader is geconcretiseerd met aanvullende feiten en omstandigheden. Daarmee heeft [appellante] gereageerd op het door Dexia aangevoerde verweer in haar memorie van antwoord. Daarop heeft Dexia kunnen reageren in haar akte, wat zij ook heeft gedaan. Gelet daarop zijn de bij akte ingenomen stellingen en nadere verfeitelijking van het door [appellante] reeds eerder ingenomen standpunt, niet als tardief aan te merken. Naar het oordeel van het hof bieden de door [appellante] overgelegde producties voldoende aanknopingspunten die bevestigen dat Spaar Select met [appellante] de aanschaf van het effectenleaseproduct heeft besproken. Mede gelet op het feit dat tussenpersonen veelvuldig bij potentiële afnemers op huisbezoek gingen en daarbij een specifiek op de persoon toegesneden advies gaven aan potentiële afnemers, waarbij het gesprek volgens een min of meer vast patroon verliep, heeft [appellante] de stelling dat er is geadviseerd, voldoende gemotiveerd onderbouwd. Ook al hetgeen wat Dexia nog onder 41 van haar Antwoordakte van 4 november 2025 aanvoert, kan aan het voorgaande onvoldoende afdoen.
4.16. Dexia heeft de door [appellante] geschetste gang van zaken niet voldoende gemotiveerd betwist. Het hof zal haar daarom niet toelaten tot het leveren van tegenbewijs. Dexia heeft immers onvoldoende aanknopingspunten verschaft om te kunnen concluderen dat de stellingen van [appellante] over de gang van zaken niet (in grote lijnen) stroken met de werkelijkheid.
4.17. De stellingen die Dexia voor het overige heeft ingenomen, gaan uit van een onjuist (achterhaald) adviesbegrip. Het hof gaat uit van het begrip ‘advies’ zoals omschreven door de Hoge Raad in zijn prejudiciële beslissing.
4.18. Uit het voorgaande volgt dat het ervoor moet worden gehouden dat de tussenpersoon vergunningplichtig advies heeft gegeven aan [appellante] in de zin van de prejudiciële beslissing.
4.19. Ter zake van de wetenschap van Dexia heeft [appellante] gesteld dat Dexia een bedrijfsmatige werkwijze had voor de verkoop van effectenleaseproducten, waarvan onderdeel was dat door de tussenpersonen die effectenleaseproducten voor haar verkochten financieel advies werd gegeven gericht op de aanschaf van een effectenleaseproduct van Dexia. Volgens [appellante] was Dexia op de hoogte van de werkwijze van de door haar ingeschakelde tussenpersonen. Zij wist dat deze tussenpersonen standaard, althans op grote schaal, beleggingsadvies gaven aan de cliënten die zij als cliëntenremisier vervolgens bij Dexia aanbrachten als afnemers van effectenleaseproducten. [appellante] is dan ook van mening dat Dexia bekend heeft moeten zijn met de advisering aan [appellante] .
4.20. Het hof overweegt als volgt. Uit de door [appellante] en Dexia overgelegde producties, die deels ook in vele andere procedures zijn overgelegd, volgt dat Dexia haar producten aanbood via tussenpersonen. Dexia heeft deze tussenpersonen destijds zelf omschreven als onafhankelijke, gespecialiseerde adviseurs met kwaliteit en kennis van zaken, zodat een met zorg omkleed persoonlijk advies gegarandeerd was. Dat terwijl zij deze tussenpersonen aan zich had gebonden als cliëntenremisier (op commissiebasis) en wist dat deze tussenpersonen niet beschikten over een vergunning om te adviseren. Dexia voert thans weliswaar aan dat zij er intern vanuit ging dat werkzaamheden van de tussenpersonen beperkt waren tot de werkzaamheden die ook volgens de huidige maatstaven typisch en toegelaten waren, maar uit de overgelegde producties blijkt ook dat het voor Dexia kenbaar was dat deze tussenpersoon zich voorafgaand aan de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomsten tegenover [appellante] als adviseur had gepresenteerd. Gezien deze gang van zaken had Dexia behoren te waarborgen dat Spaar Select aan de eisen van artikel 41 NR 1999 voldeed. Dexia heeft onvoldoende feiten of omstandigheden naar voren gebracht waaruit volgt dat zij ook bij nader onderzoek niet had kunnen weten dat de tussenpersoon vergunningplichtig advies had gegeven. Tegen deze achtergrond had het op de weg van Dexia gelegen nader te onderbouwen waarom zij in dit concrete geval niet wist en ook niet kon weten dat [appellante] door Spaar Select werd geadviseerd. Kortom, er is voldaan aan het vereiste dat Dexia wist of behoorde te weten dat Spaar Select [appellante] advies heeft gegeven.
4.21. Het hof gaat voorbij aan het bewijsaanbod van Dexia, omdat zij de hiervoor geschetste gang van zaken met betrekking tot haar ‘wetenschap’ onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Bovendien heeft Dexia onvoldoende concrete feiten of omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden.
4.22. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat grief 1 slaagt. Dexia heeft onrechtmatig gehandeld en moet de schade van [appellante] volledig vergoeden.
4.23. De door [appellante] geleden schade kunnen partijen inmiddels berekenen. De voor vergoeding in aanmerking komende schade bestaat uit de door [appellante] betaalde inleg (termijnbetalingen en eventuele aflossingen minus (dividend)uitkeringen) en het niet vergoede gedeelte van de eventueel betaalde (fictieve) restschuld. Daarnaast dient rekening gehouden te worden met te verrekenen genoten voordelen, waaronder fiscale voordelen en een eventueel in aanmerking te nemen batig saldo uit voorgaande overeenkomsten De berekening kan worden gebaseerd op het door Dexia overgelegde financiële overzicht waarvan de juistheid door [appellante] niet of onvoldoende gemotiveerd is betwist. Ook dient een eventueel eerder betaalde schadevergoeding in aanmerking te worden genomen. De wettelijke rente is verschuldigd over het door Dexia te restitueren bedrag vanaf elk moment waarop schade wordt geleden. Het voorgaande betekent voor de onderhavige inleg, bestaande uit termijnbetalingen en eventuele aflossingen, dat de wettelijke rente over elk betaald gedeelte van de inleg verschuldigd wordt vanaf de dag van betaling van het desbetreffende gedeelte ( ECLI:NL:HR:2015:1198 ). Daarbij geldt dat er geen voordeelstoerekening plaatsvindt op de ten tijde van de schadebegroting reeds verschenen wettelijke rente omdat een aanspraak op wettelijke rente over nadeel dat bij de voordeelstoerekening tegen voordelen wegvalt, moet worden geacht niet te zijn ontstaan. Slechts over het nadeel dat na voormelde wijze van voordeelstoerekening resteert, kan wettelijke rente in aanmerking worden genomen ( ECLI:NL:HR:2017:164 , rov. 3.6.3). Indien in het verleden een uitbetaling op grond van het zogenoemde Hofmodel heeft plaatsgevonden, dient Dexia nog een derde (1/3e) deel van de restschuld te voldoen. Dit bedrag moet worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling van dat deel van de restschuld door [appellante] aan Dexia tot de voldoening door Dexia.
4.24. Een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten is niet toewijsbaar, reeds omdat [appellante] in deze procedure geen daarop betrekking hebbende vordering heeft ingesteld. Grief 4 faalt.
4.25. Uit het voorgaande volgt dat de eerste grief van [appellante] slaagt. Wat verder nog is aangevoerd door partijen, kan niet tot een andere beslissing leiden. Grief 2 en 3 hoeven geen behandeling. Het bestreden vonnis zal worden vernietigd.
4.26. Dexia is in aan te merken als de in het ongelijk gestelde partij. [appellante] is daarom ten onrechte in eerste aanleg in de proceskosten veroordeeld, zoals zij in grief 5 betoogt. Dexia dient ook in hoger beroep te worden veroordeeld in de proceskosten. Gelet op de in hoge mate gestandaardiseerde processtukken in deze procedure, zal het hof voor het bepalen van het salaris van de advocaat aansluiten bij appeltarief II.
5 De uitspraak
Het hof:
5.1. vernietigt het bestreden vonnis,
en opnieuw rechtdoende:
5.2. verklaart voor recht dat Dexia aan al haar verplichtingen met betrekking tot de overeenkomsten met nummers [nummer 1] en [nummer 2] heeft voldaan nadat zij alle schade die [appellante] uit hoofde van de overeenkomsten heeft geleden, heeft vergoed in overeenstemming met rechtsoverweging 4.23 in dit arrest;
5.3. veroordeelt Dexia in de proceskosten in eerste aanleg, en begroot die kosten aan de zijde van [appellante] op € 180,00;
5.4. veroordeelt Dexia in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [appellante] op € 314,00 aan griffierecht, op € 94,08 aan explootkosten, op € 2.580,00 (2 punten × appeltarief II) voor salaris advocaat, en op € 189,00 voor nakosten. Als Dexia niet binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, worden de proceskosten vermeerderd met € 98,00 en de kosten van betekening;
5.5. verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. A.J.P. Schild, R.F. Groos en H.F.P. van Gastel en is in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026 in aanwezigheid van de griffier.