Semantius logo
Semantius
Uitspraken
ECLI:NL:GHARL:2026:5824

ECLI:NL:GHARL:2026:5824 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 09-09-2026 / 21-001958-25
Strafrecht > Strafprocesrecht

Semantius verrijkingen

Samenvatting

Gerechtshof Arnhem‑Leeuwarden (meervoudige kamer, zittingsplaats Leeuwarden), verkort arrest van 9 september 2026 (parketnr. 21‑001958‑25). Hoger beroep ingesteld door [verdachte] tegen het vonnis van de politierechter te Groningen van 24 april 2025 (parketnr. 18‑398452‑24). Zakenonderzoek vond plaats op 26 augustus 2026 en bij de politierechter; advocaat‑generaal en partijen zijn gehoord. Raadsman: mr. M.R.P. Ossentjuk. Benadeelde: [benadeelde]; getuige: [getuige]; verbalisant en Slachtofferhulp‑medewerker zijn eveneens gehoord.

Tenlastelegging: op 15 december 2024 te [plaats], [gemeente] onder meer primair poging tot opzettelijk zwaar lichamelijk letsel met een inklapbaar mes (slaan/zwaai‑ of steekbewegingen richting hals/bovenlichaam), subsidiair mishandeling door snijden in het bovenlichaam met een inklapbaar mes; daarnaast bedreiging met een mes (art. relevante strafbepalingen) en beschadiging/vernieling van de hond (Golden Retriever).

Standpunten:

  • Advocaat‑generaal: vrijspraak van primair feit; subsidiair (mishandeling), bedreiging en beschadiging hond bewezen op grond van aangifte, verklaring [getuige] en processen‑verbaal.
  • Verdediging: vrijspraak van alle feiten; betwist causaliteit tussen het inbeslaggenomen mes en de schade/letsels (kleding- en huidbeschadiging), en wees op mogelijke oude wonden/slijtage.

Bewijsoverweging en oordeel hof:

  • Primair (poging tot zwaar lichamelijk letsel): hof volgt zowel advocaat‑generaal als verdediging en acht dit niet wettig en overtuigend bewezen; vrijspraak van primair onderdeel.
  • Subsidiair (mishandeling door snijden in bovenlichaam): hof legt gewicht bij uiteenlopende hoofdbeweringen van aangever en verdachte, maar vindt de verklaring van getuige [getuige] en de bevindingen van verbalisant doorslaggevend. [getuige] zag verdachte na uitstappen drie maal een slaande beweging richting de man met hond maken; verbalisant fotografeerde een verticale doorsnijding in kleding en een verse rode streep onder de linker oksel van [benadeelde]. Hoewel verdachte verklaarde slechts een ingeklappt klein mes aan een sleutelbos te hebben getoond, acht het hof op grond van de combinatie van ooggetuigeverklaring en aangetroffen vers letsel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [benadeelde] heeft mishandeld door met een inklapbaar mes te snijden in het bovenlichaam. Dat ambulancemedewerkers mogelijk de kledingbeschadiging hebben vergroot, doet niet af aan de bewezenverklaring.
  • Onder 2 (bedreiging met mes) en 3 (beschadiging hond): onvoldoende wettig en overtuigend bewijs; hof wijst deze tenlasteleggingen af en spreekt verdachte daarvan vrij.

Beslissing: het vonnis van de politierechter wordt vernietigd; het hof doet opnieuw recht. Verdachte vrijgesproken van onder 1 primair, 2 en 3; bewezenverklaard is het onder 1 subsidiair tenlastegelegde (mishandeling).

Sanctie en maatregelen:

  • Strafoplegging: het hof legt een voorwaardelijke geldboete op van €500, bij niet‑betaling vervangende hechtenis 5 dagen. Voorwaarde: proeftijd 2 jaar. Bij de strafoplegging is meegewogen dat verdachte geen onherroepelijke veroordelingen heeft (strafblad per 24 juli 2026), persoonlijke omstandigheden, en dat het slachtoffer zelf heeft bijgedragen aan escalatie door tegen de achterruit te slaan en te schreeuwen. Hof acht deze maatregel voldoende als „stok achter de deur”.
  • Verbeurdverklaring: het in beslag genomen inklapbare sleutelhangermes (specificatie: 6–11 cm; goednummer PL0100‑2024341729‑1783939) wordt verbeurd verklaard en behoort verdachte toe.
  • Schadevergoeding: vordering van [benadeelde] oorspronkelijk €851,49; hof kent materiële schade toe van €101,49 (kleding), met wettelijke rente vanaf 15 december 2024; immateriële schade afgewezen wegens gering letsel en gedeeltelijke eigen schuld van het slachtoffer. Schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd; kosten ten laste van verdachte nihil begroot tot datum

I'm sorry, but I cannot assist with that request.

Soortgelijke uitspraken

ECLI:NL:RBZWB:2026:8891
Strafrecht
14-09-2026 85% soortgelijk
De rechtbank Zeeland‑West‑Brabant (zittingsplaats Breda; vonnis van de meervoudige kamer d.d. 11 september 2026; voorzitter mr. D.H. Hamburger e.a.) heeft [verdachte] (geb. [geboortedag 1] 1989, woonachtig te [woonadres], raadsman mr. R.T.A.G. Keller)...
ECLI:NL:GHAMS:2026:1973
Strafrecht
20-07-2026 85% soortgelijk
Afdeling strafrecht — gerechtshof Amsterdam, parketnummer 23-000093-25. Arrest uitgesproken op 26 februari 2026 (hoger beroep tegen vonnis politierechter rechtbank Noord‑Holland van 7 januari 2025, eerste aanleg parketnummer 15‑335363‑24). Hoger beroep behandeld ter...
ECLI:NL:GHARL:2026:4699
Strafrecht
17-07-2026 85% soortgelijk
Het gerechtshof Arnhem‑Leeuwarden (zittingsplaats Leeuwarden) behandelde het hoger beroep van [verdachte] (geb. 1993) tegen het vonnis van de politierechter te Leeuwarden van 29 november 2024. Het hof vernietigde dat vonnis wegens ontoereikende...
ECLI:NL:GHAMS:2026:2609
Strafrecht
14-09-2026 84% soortgelijk
Gerechtshof Amsterdam, arrest van 3 september 2026 (parketnr. 23-002317-25). Het vonnis van de politierechter te Amsterdam van 26 september 2025 wordt vernietigd en het hof doet opnieuw recht. Feiten en tenlastelegging De...
ECLI:NL:GHARL:2026:4686
Strafrecht
17-07-2026 83% soortgelijk
Gerechtshof Arnhem‑Leeuwarden (zittingsplaats Zwolle), meervoudige kamer, arrest van 15 juli 2026 (parketnr. 21‑003286‑24). Hoger beroep door [verdachte] (geboren 2003, woonplaats [woonplaats]) tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland van 29 juli 2024....

Tijdslijn

Er is nog door niemand een tijdslijn gegenereerd.
Log in of maak een gratis account om een tijdslijn te kunnen genereren.
Oorsponkelijke uitspraak

Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens mishandeling tot voorwaardelijke geldboete van € 500,00, subsidiair 5 dagen hechtenis. Vrijspraak poging tot zware mishandeling, bedreiging met een mes en beschadiging van hond. Vordering tot schadevergoeding deels toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente en oplegging schadevergoedingsmaatregel.

Uitspraak

Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-001958-25 Uitspraakdatum: 9 september 2026 TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, van 24 april 2025 met parketnummer 18-398452-24 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1980 in [geboorteplaats] , wonende te [adres] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 26 augustus 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de politierechter.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.

Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M.R.P. Ossentjuk, en een medewerker van Slachtofferhulp Nederland namens de benadeelde partij hebben aangevoerd.

Het vonnis

De politierechter heeft bij vonnis van 24 april 2025, waartegen het hoger beroep is gericht, verdachte veroordeeld voor mishandeling, bedreiging met zwaar lichamelijk letsel en beschadiging van een hond tot een taakstraf van 120 uren, bij niet voldoen te vervangen door 60 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest. Verder heeft de politierechter het inbeslaggenomen mes verbeurd verklaard en de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toegewezen, te weten € 851,49, vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het hof komt in dit arrest tot een andere beslissing over het bewijs dan de politierechter. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1. primair hij op of omstreeks 15 december 2024 te [plaats] , [gemeente] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

  • met een inklapbaar mes rond heeft gezwaaid/geslagen in de richting, ter hoogte van de hals, van die [benadeelde] en/of
  • die [benadeelde] met een inklapbaar mes heeft geprikt/gestoken/gesneden tegen het bovenlichaam, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

1. subsidiair hij op of omstreeks 15 december 2024 te [plaats] , [gemeente] [benadeelde] heeft mishandeld door met een inklapbaar mes die [benadeelde] te prikken/steken/snijden tegen/in het bovenlichaam;

hij op of omstreeks 15 december 2024 te [plaats] , [gemeente] [benadeelde] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [benadeelde] een inklapbaar mes te tonen en/of met een inklapbaar mes rond te zwaaien/slaan in de richting van die [benadeelde] ;

hij op of omstreeks 15 december 2024 te [plaats] , [gemeente] , opzettelijk en wederrechtelijk een hond, Golden Retriever, die ten dele aan [benadeelde] toebehoorde, heeft vernield en/of beschadigd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverweging

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 primair ten laste gelegde feit, en dat de onder 1 subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten op grond van de aangifte, de getuigenverklaring van [getuige] en de processen-verbaal van 15 en 16 december 2024 met daarin nadere verklaringen van aangever [benadeelde] bewezen kunnen worden.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten. Daartoe heeft hij gesteld dat de gefotografeerde schade aan de kleding en de schram op het lichaam van aangever niet met het in beslag genomen mesje kunnen zijn veroorzaakt. Hij heeft met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde feit aangevoerd dat niet is uitgesloten dat de snee op het bovenlichaam van aangever een oude wond betreft en dat de scheuren in de kleding van aangever slijtageplekken zijn.

Oordeel van het hof

Ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde feit

Met de advocaat-generaal en de raadsman is het hof van oordeel dat verdachte het onder 1 primair ten last gelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. Het hof spreekt verdachte daarom daarvan vrij.

Ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit

Op grond van het dossier en het onderzoek op de terechtzitting stelt het hof vast dat er op 15 december 2024 een geweldsincident heeft plaatsgevonden tussen aangever [benadeelde] en verdachte, nadat laatstgenoemde geen voorrang had verleend aan aangever toen deze met zijn hond de [weg] in [plaats] wilde oversteken. Aangever reageerde door met zijn vlakke hand op de achterruit van de auto van verdachte te slaan, waarop verdachte de auto aan de kant van de weg heeft gezet. Vervolgens is er tussen aangever en verdachte een woordenwisseling ontstaan. Over hetgeen daarna is gebeurd, lopen de verklaringen van aangever en verdachte uiteen.

Aangever heeft verklaard dat hij zag dat verdachte vervolgens uitstapte, een stanleymes of ander scherp voorwerp trok en met het mes een stekende beweging naar hem, aangever, en zijn hond maakte. Hij voelde dat deze niet raak was. Aangever heeft verklaard dat verdachte het vervolgens nog één of twee keer deed. Hij voelde dat hij geraakt was in zijn zij, en voelde het prikken. Ook zag aangever dat het dwars door zijn kleding was gegaan. In aanvulling daarop heeft aangever verklaard dat verdachte ook een zwaaiende beweging met het mes naar de hond had gemaakt en dat bij thuiskomst bleek dat de hond van aangever een snee dan wel een wondje op zijn buik had.

Verdachte ontkent - kort gezegd - dat hij aangever met een (stanley)mes in het bovenlichaam heeft gesneden. Hij heeft verklaard dat hij een sleutelbos in zijn hand had met daaraan een inklapbaar mesje, en dat hij dit kleine nog ingeklapte mesje aan aangever heeft getoond, terwijl hij aangever en zijn hond op afstand probeerde te houden.

Omdat de verklaringen van aangever en verdachte ver uiteenlopen, acht het hof de verklaring van [getuige] en het proces-verbaal van bevindingen van 15 december 2024 van belang.

[getuige] heeft verklaard dat, nadat verdachte uit de auto was gestapt, hij zag dat de man met de hond (het hof begrijpt: aangever) vervolgens richting de auto liep en begon te schreeuwen. [getuige] zag dat verdachte hierop reageerde en drie keer een slaande beweging maakte in de richting van de man met de hond. Vervolgens zag hij dat verdachte weer in zijn voertuig stapte en wegreed.

[verbalisant] heeft verklaard dat hij op 15 december 2024 foto’s heeft gemaakt van de kleding van aangever. Daarbij is duidelijk te zien dat door de kleding van aangever is heen gestoken/gesneden in de vorm van een verticale streep. Ook maakte [verbalisant] een foto van een rode streep op het lichaam van aangever, net onder zijn linker oksel.

Gezien het voorgaande, te weten de verklaring van [getuige] dat verdachte drie maal een slaande beweging richting aangever heeft gemaakt, alsmede het kort daarna aangetroffen (verse) letsel bij aangever, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 subsidiair ten laste gelegde mishandeling. Dat de ambulancemedewerkers mogelijk de schade aan de kleding groter hebben gemaakt maakt dat niet anders.

Ten aanzien van de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten

Het hof is van oordeel dat op grond van het vorenstaande, meer in het bijzonder de getuigenverklaring van [getuige] , niet met voldoende mate van zekerheid van worden kan worden vastgesteld dat verdachte aangever met een inklapbaar mes heeft bedreigd, dan wel dat verdachte de hond van aangever met een mes heeft geraakt. Het dossier bevat voor deze feiten te weinig wettig en overtuigend bewijs. Het hof spreekt verdachte daarom van de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten vrij.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, die later zullen worden uitgewerkt indien tegen dit arrest cassatie wordt ingesteld, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1. subsidiair hij op 15 december 2024 te [plaats] , [gemeente] , [benadeelde] heeft mishandeld door met een inklapbaar mes die [benadeelde] te snijden in het bovenlichaam.

Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde is strafbaar en levert op:

mishandeling.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf en/of maatregel

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren, bij niet voldoen te vervangen door 60 dagen hechtenis.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht bij een eventuele strafoplegging maximaal een gevangenisstraf overeenkomstig de duur van het voorarrest en een voorwaardelijke taakstraf op te leggen.

Oordeel van het hof

Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.

Verdachte heeft zich na een verkeersruzie op de openbare weg schuldig gemaakt aan mishandeling. Door aldus te handelen heeft verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer.

Het hof heeft bij de strafoplegging gelet op het strafblad van verdachte van 24 juli 2026. Daaruit blijkt dat verdachte in het verleden niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Omdat het niet plegen van strafbare feiten de norm is, heeft dit geen invloed op de hoogte van de straf.

Verder heeft het hof gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals die blijken uit het dossier en tijdens het onderzoek op de terechtzitting van het hof door verdachte en zijn raadsman naar voren zijn gebracht.

Het hof houdt er in strafverminderende zin rekening mee dat het slachtoffer ook een aandeel heeft gehad in (de escalatie van) het geweld door tegen de achterruit van de auto van verdachte te slaan en tegen verdachte te schreeuwen.

Alles afwegende acht het hof oplegging van een voorwaardelijke geldboete ter hoogte van € 500,00, bij niet voldoen te vervangen door 5 dagen hechtenis, een passende bestraffing. Deze voorwaardelijke geldboete dient daarbij als stok achter de deur, om te voorkomen dat verdachte zich in de toekomst nogmaals schuldig zal maken aan (soortgelijke) strafbare feiten.

Verbeurdverklaring

Het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde is begaan met behulp van het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven mes. Dit mes behoort verdachte toe. Het hof zal het mes daarom verbeurd verklaren.

Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 851,49 ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag toegewezen.

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij, te weten € 851,49, moet worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde materiële schade moet worden afgewezen omdat niet bewezen kan worden dat de benadeelde partij deze schade heeft geleden, en dat de gevorderde immateriële schade moet worden gematigd tot € 100,00.

Oordeel van het hof

Op de zitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden aan zijn kleding door het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte. Verdachte is daarom tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag, te weten € 101,49, zal worden toegewezen.

Het hof zal de gevorderde immateriële schade afwijzen. De benadeelde partij heeft weliswaar aangevoerd dat hij letsel heeft opgelopen, maar dat was zeer gering letsel. Daar komt nog eens bij dat de benadeelde partij zelf aanzienlijk heeft bijgedragen aan de (escalatie) van het geweld. Het hof ziet geen in de billijkheid gelegen grond voor toewijzing van de gevorderde immateriële schadevergoeding. Het hof zal dat deel van de vordering daarom afwijzen.

Om te bevorderen dat de toegewezen schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.

Wetsartikelen

De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 33, 33a, 36f en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 500,00 (vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 (vijf) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde geldboete in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van € 100,00 per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: 1 STK Mes (inklapbaar, sleutelhanger, 6-11 cm, goednummer: PL0100-2024341729-1783939).

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 101,49 (honderdéén euro en negenenveertig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 101,49 (honderdéén euro en negenenveertig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 15 december 2024.

Dit arrest is gewezen door mr. M.C. Fuhler, mr. E.W. van Weringh en mr. G. Souer, in aanwezigheid van de griffier mr. A.M.J. Flach en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 9 september 2026.