ECLI:NL:GHARL:2026:5790 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 08-09-2026 / 200.368.628/01
Samenvatting
Het gerechtshof Arnhem‑Leeuwarden (locatie Leeuwarden) bekrachtigt bij beschikking van 8 september 2026 de eerdere uitspraak van de rechtbank Noord‑Nederland (23 januari 2026) waarin het ouderlijk gezag over [de minderjarige1] (geboren 2016) en [de minderjarige2] (geboren 2018) ten aanzien van hun vader is beëindigd en de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (GI, Amsterdam) tot voogd is benoemd. Partijen: verzoeker is de vader ([verzoeker], woonplaats [woonplaats1], advocaat mr. M. Schlepers te Groningen) in hoger beroep; verweerster is de moeder ([verweerster], woonplaats [woonplaats2], advocaat mr. J.A.M. Staal‑Olislaegers te Winschoten); verder betrokken zijn de Raad voor de Kinderbescherming regio Noord‑Nederland (locatie Groningen), de GI en de gezinshuisouders [naam1] (woonplaats [woonplaats3]).
Feiten: de kinderen staan sinds 4 augustus 2020 onder toezicht van de GI en zijn op 29 september 2020 met een (spoed)machtiging uit huis geplaatst; de machtiging is herhaaldelijk verlengd, laatstelijk tot 29 januari 2026. Sinds 28 december 2024 verblijven de kinderen bij de gezinshuisouders; het eerdere gezinshuis functioneert nog als logeergezin (maandelijks logeerbezoek). De moeder woont sinds begin 2025 beschermd en heeft begeleid contact van twee uur per week. De vader had vanaf januari 2023 een lange periode zonder contact; vanaf 12 juli 2024 was er weer structureel contact (aanvankelijk zes uur per week en later onbegeleid verblijf bij de vader), maar sinds 13 april 2026 hebben de kinderen de vader niet meer gezien of gesproken. De vader heeft geen verklaring gegeven en is onbereikbaar voor de GI en het gezinshuis.
Procedure en participatie: de raad had verzocht het gezag van beide ouders te beëindigen; de rechtbank heeft dat toegewezen. De vader heeft beroep ingesteld tegen (voor zover betreft zijn gezag). Het hof ontving beroeps- en aanvullende stukken van de vader, het verweerschrift van de raad; [de minderjarige2] schreef een brief (26 juni 2026) die ter zitting (20 augustus 2026) is voorgelezen; [de minderjarige1] wenste niet te verschijnen of te schrijven. Ter zitting waren aanwezig onder meer de advocaten, vertegenwoordigers van raad en GI, de moeder met begeleider en de gezinshuisvader.
Juridische beoordeling: het hof neemt de motivering van de rechtbank over en oordeelt dat beëindiging van het gezag van de vader terecht is. Toepasselijk is artikel 1:266 lid 1 onder a en b BW: het gezag kan worden beëindigd indien de ontwikkeling van het kind ernstig wordt bedreigd en de ouder de verzorging en opvoeding niet binnen een aanvaardbare termijn zelf kan hervatten. Het belang van het kind en de behoefte aan woonzekerheid wegen zwaar (ook in het licht van artikelen 3 en 20 VN‑Verdrag inzake de rechten van het kind).
Het hof stelt vast dat de vader niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij binnen een aanvaardbare termijn verantwoordelijkheid voor verzorging en opvoeding kan dragen. De recente, onverklaarde en blijvende contactbreuk sinds april 2026 — na eerder hersteld contact — vormt, samen met een eerder patroon van langdurige afwezigheid vanaf januari 2023, voldoende grond om te concluderen dat het perspectief van de kinderen niet bij de vader ligt. Hoewel de kinderen veel verdriet hebben en hem missen, ziet het hof de breuk als gevolg van onmacht van de vader, niet van onwil; de GI en betrokkenen zullen contactopbouw blijven ondersteunen, maar dat doet niet af aan de noodzaak van duidelijke rechtspositie en bescherming van de kinderen.
Beslissing: het hof bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover in hoger beroep aangevochten: het gezag van de vader over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] blijft beëindigd; de GI blijft aangesteld als voogd.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
Familierecht. Gezag. Bekrachtiging beëindiging gezag vader. Vader heeft al enkele maanden geen contact met de kinderen en is niet bereikbaar. De kinderen hebben duidelijkheid nodig over hun perspectief.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.368.628/01 (zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 251370)
**beschikking van 8 september 2026 **
over de beëindiging van het gezag over
in de zaak van
en
**de raad voor de kinderbescherming **(de raad), regio Noord Nederland, locatie Groningen,
en
en
de gecertificeerde instelling
**William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering **(de GI), die is gevestigd in Amsterdam,
en
de gezinshuisouders [naam1] (de gezinshuisouders), die wonen in [woonplaats3] .
1 Samenvatting
De rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, heeft op 23 januari 2026 het gezag van de vader en de moeder over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] beëindigd en de GI benoemd tot voogd (hierna: de bestreden beschikking). Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.
2 De feiten
2.1. De vader en de moeder zijn de ouders van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . [de minderjarige1] is geboren [in] 2016 en [de minderjarige2] is [in] 2018 geboren.
2.2. Tot de bestreden beschikking hadden de ouders samen het gezag over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] .
2.3. De kinderen staan sinds 4 augustus 2020 onder toezicht van de GI.
2.4. De kinderen zijn op 29 september 2020 met een (spoed)machtiging van de kinderrechter uit huis geplaatst en sindsdien is de machtiging telkens verlengd, laatstelijk tot 29 januari 2026. De kinderen wonen sinds 28 december 2024 bij de gezinshuisouders. Het gezinshuis waar zij daarvoor verbleven is wegens privéomstandigheden gestopt. Dit voormalige gezinshuis fungeert nog wel als logeergezin. [de minderjarige1] en [de minderjarige2] logeren daar één keer per maand.
2.5. De moeder woont beschermd sinds begin 2025 en ziet de kinderen twee uur per week onder begeleiding van de gezinshuisouders.
2.6. De vader heeft een lange periode (sinds januari 2023) geen contact gehad met de kinderen. Sinds 12 juli 2024 was er weer omgang op structurele basis gedurende zes uur per week. Er is daarna opgebouwd naar een regeling waarbij de kinderen onbegeleid bij de vader thuis verbleven.
2.7. Sinds 13 april 2026 hebben [de minderjarige1] en [de minderjarige2] de vader niet meer gezien en/of gesproken. De vader heeft de kinderen niet laten weten waarom hij niet is gekomen. De vader is sindsdien niet meer in contact met het gezinshuis en ook niet met de jeugdbeschermer.
3 De procedure bij de rechtbank
3.1. De raad heeft de rechtbank verzocht het gezag van de vader en de moeder over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] te beëindigen. De rechtbank heeft het verzoek van de raad toegewezen. Dit is vastgelegd in de bestreden beschikking.
4 De procedure bij het hof
4.1. De vader is het niet eens met de beslissing van de rechtbank om zijn gezag over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] te beëindigen. Hij komt daarvan in hoger beroep. Hij wil dat het hof die beslissing van de rechtbank vernietigt (het hof begrijpt: voor zover dat betreft de beëindiging van zijn gezag) en het verzoek van de raad om zijn gezag over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] te beëindigen alsnog afwijst.
4.2. De raad wil dat de beslissing in stand blijft.
4.3. De moeder en de GI zijn het eens met de beslissing van de rechtbank.
4.4. Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
- het beroepschrift namens de vader, ontvangen op 22 april 2026;
- de stukken van de vader, ingediend op 24 juni 2026;
- het verweerschrift van de raad;
- het bericht namens de moeder van 24 juni 2026 dat zij geen verweerschrift zal indienen, maar dat zij haar standpunt op de zitting zal toelichten.
- de stukken van de vader, ingediend op 13 augustus 2026;
- de stukken van de vader, ingediend op 19 augustus 2026.
4.5. [de minderjarige1] en [de minderjarige2] zijn uitgenodigd te vertellen wat zij vinden van de beëindiging van het gezag van de vader. [de minderjarige2] heeft een brief geschreven (gedateerd 26 juni 2026). De voorzitter heeft tijdens de zitting van 20 augustus 2026 de brief voorgelezen. [de minderjarige1] heeft op 30 juni 2026 het hof laten weten dat hij niet komt en dat hij ook niks wil schrijven.
4.6. De zitting bij het hof was op 20 augustus 2026. Aanwezig waren:
- namens de vader mr. Schlepers;
- een vertegenwoordiger van de raad;
- de moeder met haar advocaat en met toestemming van alle aanwezigen haar persoonlijke begeleider van de stichting [naam2] te [woonplaats2] ;
- de gezinshuisvader;
- een vertegenwoordiger van de GI.
5 Het oordeel van het hof
5.1. De rechtbank kan het gezag van een ouder beëindigen als het kind ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Dat is als er grote zorgen zijn over zijn ontwikkeling. Daarbij moet duidelijk zijn dat de ouder de verzorging en opvoeding niet binnen een aanvaardbare termijn weer zelf op zich kan nemen. De aanvaardbare termijn is de periode van onzekerheid, die een kind kan overbruggen zonder ernstige schade in zijn ontwikkeling op te lopen. De rechtbank kan het gezag van een ouder ook beëindigen als de ouder het gezag misbruikt.
5.2. Het belang van het kind staat voorop. Een kind dat niet bij zijn ouders kan wonen heeft recht op zekerheid over waar het woont en blijft wonen.
5.3. De rechtbank heeft het gezag van de vader terecht beëindigd. De beslissing van de rechtbank zal daarom in stand blijven (worden bekrachtigd). Het hof vindt ook dat de rechtbank haar beslissing goed heeft uitgelegd. De rechtbank heeft zeer volledig beschreven waarom een gezagsbeëindiging noodzakelijk is. Het hof neemt de motivering van de rechtbank over en voegt daaraan nog het volgende toe.
5.4. Voor het hof is duidelijk dat de vader niet in staat is om binnen een voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] aanvaardbare termijn de verantwoordelijkheid voor hun verzorging en opvoeding te dragen. Het perspectief van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] is dan ook helder. Dat ligt niet meer bij de vader en het is belangrijk dat de kinderen hierover duidelijkheid krijgen.
5.5. De vader heeft in zijn beroepschrift aangevoerd dat in zijn leven veel in positieve zin is veranderd en dat zijn leven stabiel is. Hij stelt dat hij een betrokken en beschikbare vader is voor de kinderen en dat de kinderen en de vader zeer gehecht zijn aan elkaar. Feit is dat de vader, nadat het contact tussen hem en de kinderen was opgebouwd tot een ruime omgangsregeling, sinds april 2026 zonder uitleg of bericht opnieuw het contact met de kinderen volledig heeft beëindigd. Hij heeft op de verjaardag van [de minderjarige2] niets van zich laten horen. De vader is onbereikbaar voor de GI en hij heeft geen contact met het gezinshuis. Hoewel de achtergrond van deze contactbreuk zonder nadere toelichting hierop van de vader onduidelijk blijft voor het hof, ziet het hof wel een patroon doordat ook eerder vanaf januari 2023 sprake is geweest van een lange periode waarin de kinderen geen contact hadden met de vader. Dit is een omstandigheid die in aanvulling op de overwegingen die de rechtbank aan de bestreden beslissing ten grondslag heeft gelegd, naar het oordeel van het hof duidelijk maakt dat de vader niet in staat is om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] te dragen.
5.6. Zowel de GI, de raad alsook de gezinsvader hebben ter zitting verklaard dat de kinderen veel last van hebben van de contactbreuk met hun vader. Zij zijn verdrietig en zij missen hem. [de minderjarige1] heeft de jeugdzorgwerker uitdrukkelijk gevraagd om dit op de zitting aan het hof te vertellen en om de vader vragen of hij langs wil komen. Alle aanwezigen op de zitting zien het feit dat het contact is beëindigd niet als onwil maar als onmacht van de vader en hopen dat er weer snel contact komt tussen de vader en de kinderen. De GI heeft ter zitting bevestigd dat de contactopbouw met de vader altijd een aandachtspunt zal blijven vanuit de hulpverlening en dat de GI zich zal blijven inspannen om contact te zoeken met de vader.
6 De beslissing
Het hof:
bekrachtigt -voor zover in hoger beroep bestreden- de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 23 januari 2026 betreffende de beëindiging van het gezag van de vader over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] .
Deze beschikking is gegeven door mr. F. van der Meulen, mr. L. van Dijk en mr. K.H.P. Selcraig, bijgestaan door mr. M. Marsnerova als griffier, en is op 8 september 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.