Semantius logo
Semantius
Uitspraken
ECLI:NL:GHARL:2026:5779

ECLI:NL:GHARL:2026:5779 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 08-09-2026 / 200.371.119/01
Civiel recht

Semantius verrijkingen

Samenvatting

Gerechtshof Arnhem‑Leeuwarden, locatie Leeuwarden, civiel recht/handel, zaaknr. 200.371.119/01 (rb Noord‑Nederland 11979723). Arrest van 8 september 2026 (incident tot schorsing van de tenuitvoerlegging).

Partijen

  • [appellant], wonende te [woonplaats], bijgestaan door mr. E.Tj. van Dalen te Groningen.
  • Christelijke Woningstichting [naam], gevestigd te [vestigingsplaats], bijgestaan door mr. B.M.B. Gruppen te Groningen.

Feiten en eerdere procedure [appellant] huurt sinds 1 juli 1998 de woning aan [adres] 5 in [plaats] van [naam]. Sinds 2022 ontving [naam] meerdere klachten van omwonenden over stankoverlast, vervuiling en veiligheidszorgen naar aanleiding van brand/rookincidenten. In 2024 enook in 2025–2026 kwamen meldingen binnen over geluidsoverlast, verbale agressie, nachtelijke schreeuwpartijen, bedreigingen en intimiderend gedrag. Omwonenden melden dagelijks (ook ’s nachts) hard schreeuwen en schelden; woonomgeving zou vervuild zijn en er is een penetrante geur. [appellant] heeft niet‑aangeboren hersenletsel (NAH) en ontvangt begeleiding van NAH‑zorg, Stichting Effect en het Leger des Heils.

[naam] vorderde bij de kantonrechter ontbinding van de huurovereenkomst, ontruiming en proceskosten. De kantonrechter wees die vorderingen toe bij vonnis van 19 mei 2026, veroordeelde [appellant] tot ontruiming binnen drie maanden na betekening en verklaarde de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad. Het vonnis werd betekend op 2 juni 2026; gedwongen ontruiming was aangekondigd voor 8 september 2026.

Incident tot schorsing tenuitvoerlegging Tegen de uitvoerbaarheid bij voorraad verzocht [appellant] schorsing totdat het hof in de hoofdzaak beslist. Hij bracht onder meer naar voren dat hij 75 jaar is, 40 jaar in de woning woont, dat zijn recente overlast het gevolg is van NAH en dat hulpverlening met zijn instemming dringend zoekt naar een plek voor beschermd wonen; dat kost meer tijd dan de door de kantonrechter gegeven drie maanden; een gedwongen ontruiming zou hem dak‑/thuisloos maken en zijn gezondheid ernstig schaden.

Beoordeling hof — juridische maatstaf en afweging Het hof paste de door de Hoge Raad ontwikkelde criteria toe (o.a. art. 351 Rv en jurisprudentie HR). Een vonnis dat uitvoerbaar bij voorraad is mag in beginsel ten uitvoer worden gelegd ondanks hoger beroep; schorsing is toegestaan wanneer het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zwaarder weegt dan het belang van de wederpartij bij uitvoerbaarheid. Een kennelijke misslag van de eerste aanleg werd niet aangevoerd of gebleken.

Het hof ging, conform het algemene uitgangspunt, niet in op de slagingskans van het hoger beroep en zag geen aanleiding voor een uitzondering. Het nam aan dat de kantonrechter terecht van langdurige en ernstige overlast is uitgegaan. Bij de belangenafweging gaf het hof groot gewicht aan het belang van [naam] en de omwonenden bij bescherming tegen verdere ernstige overlast. De kantonrechter had vastgesteld dat de overlast ernstig, frequent en in ernst toegenomen is sinds 2024, dat pogingen van [naam] om de situatie te beheersen onvoldoende effect hadden en dat verdere opschaling van hulpverlening geen reële oplossing bood. Dat [appellant] wegens NAH hulp krijgt en moeite heeft een passende plek te vinden, deed volgens het hof niet af aan de ernst van de door de kantonrechter geconstateerde onhoudbare situatie; [appellant] betwistte in het incident niet dat de overlast voortduurt.

Uitkomst Het hof oordeelde dat het belang van [naam] bij onmiddellijke uitvoerbaarheid zwaarder weegt dan het belang van [appellant] bij schorsing, en wees de incidentele vordering af. Beslissing over de kosten van het incident wordt aangehouden tot de einduitspraak in de hoofdzaak. De hoofdzaak is verwezen naar de rol van 20 oktober 2026 voor memorie van grieven. Het arrest is gewezen door mrs. J.H. Kuiper, W.F. Boele en A.A.J. Smelt.

Soortgelijke uitspraken

ECLI:NL:GHARL:2026:4314
Civiel recht
02-07-2026 88% soortgelijk
Partijen en procedure [appellant] (woonplaats niet nader genoemd), bijgestaan door mr. G.J. Hollema, is huurder van een woning van Woningstichting Sint Joseph Almelo (STJA), gevestigd te Almelo, bijgestaan door mr. R.F.A. Rorink....
ECLI:NL:GHARL:2026:5335
Civiel recht
18-08-2026 87% soortgelijk
Gerechtshof Arnhem‑Leeuwarden, locatie Arnhem (afdeling civiel recht), zaaknrs. gerechtshof 200.359.622 / rechtbank Midden‑Nederland 11777274 — arrest in kort geding van 18 augustus 2026. Partijen: [appellant] (woonachtig in [woonplaats], advocaat mr. T.E. Houkes)...
ECLI:NL:GHAMS:2025:284
Civiel recht
04-02-2025 85% soortgelijk
Gerechtshof Amsterdam (meervoudige kamer), arrest van 4 februari 2025, zaaknr. 200.348.721/01 (appellanten in hoger beroep: zaaknr. rechtbank NH 10991178 / CV EXPL 24-762). Partijen - [appellant 1] (huurder sinds 29 oktober 1999)...
ECLI:NL:GHAMS:2026:908
Civiel recht
03-04-2026 84% soortgelijk
Gerechtshof Amsterdam (meervoudige kamer, civiel recht en belastingrecht, team I) bevestigt bij arrest van 31 maart 2026 het vonnis van de kantonrechter (zaaknr. 200.354.450/01 KG; rechtbank Noord-Holland 11589336/KG EXPL 25-30). In hoger...
ECLI:NL:GHAMS:2026:2312
Civiel recht
20-08-2026 84% soortgelijk
Gerechtshof Amsterdam, meervoudige burgerlijke kamer (arrest 28 juli 2026, zaaknr. 200.358.414/01 KG; rechtbank Noord‑Holland 11720770 \ VV EXPL 25‑41). Partijen: [appellant] (zonder vaste woon- of verblijfplaats; advocaat mr. S.G.H. Langeweg) versus Stichting...

Tijdslijn

Er is nog door niemand een tijdslijn gegenereerd.
Log in of maak een gratis account om een tijdslijn te kunnen genereren.
Oorsponkelijke uitspraak

Inhoudsindicatie

Incident tot schorsing tenuitvoerlegging in hoger beroep. Huurder veroorzaakt overlast. De verhuurder heeft de kantonrechter gevraagd om de huurovereenkomst te ontbinden en de huurder te veroordelen om de woning te ontruimen. De kantonrechter heeft die vorderingen toegewezen. Hangende het hoger beroep vraagt de huurder om het vonnis van de kantonrechter te schorsen, zodat hij niet zijn woning hoeft te verlaten voordat het hof uitspraak heeft gedaan in hoger beroep. Deze incidentele vordering wijst het hof af. Het belang van de verhuurder bij het vrijwaren van de omwonenden van verdere ernstige overlast weegt zwaarder.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.371.119/01 (zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 11979723)

arrest van 8 september 2026 in het incident tot schorsing van de tenuitvoerlegging

in het geding tussen

[appellant]

die woont in [woonplaats] hierna: [appellant] advocaat: mr. E.Tj. van Dalen te Groningen

en

Christelijke Woningstichting [naam]

gevestigd in [vestigingsplaats] hierna: [naam] advocaat: mr. B.M.B. Gruppen te Groningen.

1 Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1 [appellant] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen (hierna: de kantonrechter), op 19 mei 2026 tussen partijen heeft uitgesproken.

1.2 Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:

  • de dagvaarding in hoger beroep, waarin is opgenomen een incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis;
  • de antwoordmemorie in het incident, waarin wordt geconcludeerd tot afwijzing van de incidentele vordering.

2 De beoordeling in het incident

de feiten en de procedure in eerste aanleg

2.1 Voor zover van belang voor de beoordeling in het incident, gaat het in deze zaak om het volgende.

2.2 [appellant] huurt met ingang van 1 juli 1998 de woning aan [adres] 5 in [plaats] van [naam] .

2.3 In 2022 heeft [naam] aangaande [appellant] meerdere meldingen van overlast ontvangen. Omwonenden van [appellant] hebben daarin aangegeven dat er dagelijks sprake is van stankoverlast en vervuiling. Verder maken zij zich zorgen over hun veiligheid naar aanleiding van een aantal incidenten met brand en rookontwikkeling in de woning van [appellant] .

2.4 In 2024 zijn er bij [naam] en bij het Meldpunt Overlast en Zorg van de gemeente [gemeentenaam] meldingen ontvangen over geluidsoverlast, verbale agressie en nachtelijke schreeuwpartijen door [appellant] .

2.5 In 2025 en 2026 hebben omwonenden opnieuw diverse meldingen gedaan van onder meer stank- en geluidsoverlast. Daarbij is aangegeven dat [appellant] dagelijks en ook 's nachts hard schreeuwt en scheldt, bedreigende en beledigende taal uit en zich agressief en intimiderend gedraagt richting omwonenden. Verder is er volgens de meldingen sprake van en vervuilde woonomgeving en een penetrante geur bij de woning.

2.6 Vanwege zijn niet-aangeboren hersenletsel (NAH) ontvangt [appellant] hulp van NAH zorg, Stichting Effect en het Leger des Heils.

2.7 In de procedure bij de kantonrechter heeft [naam] gevorderd dat de huurovereenkomst wordt ontbonden en dat [appellant] wordt veroordeeld tot ontruiming van de woning en tot betaling van de proceskosten.

2.8 Ondanks het verweer van [appellant] heeft de kantonrechter de vorderingen van [naam] toegewezen en de huurovereenkomst ontbonden. De kantonrechter heeft [appellant] veroordeeld om de woning te ontruimen binnen drie maanden na betekening van het vonnis van 19 mei 2026. Tevens is [appellant] veroordeeld tot betaling van de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente. De veroordelingen zijn uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

2.9 Het vonnis is aan [appellant] betekend op 2 juni 2026. In dat exploot is aangezegd dat de eventuele gedwongen ontruiming plaatsvindt op 8 september 2026.

het incident tot schorsing van de tenuitvoerlegging

2.10 Ter afwending van de gedwongen ontruiming van zijn woning vordert [appellant] in het incident dat het bestreden vonnis wordt geschorst totdat het hof in de hoofdzaak heeft beslist, met veroordeling van [naam] in de kosten van het incident. Ter onderbouwing hiervan heeft [appellant] aangegeven dat hij 75 jaar oud is en al 40 jaar in de woning woont. Het grootste deel van die tijd was er geen sprake van overlast van zijn kant. Zijn overlastgevende gedrag van de laatste tijd wordt veroorzaakt door NAH. Gegeven deze aandoening en de overige omstandigheden is beschermd wonen de beste oplossing voor [appellant] . De hulpverlening is, met [appellant] instemming, op dit moment naarstig op zoek naar een beschermd wonen plek voor hem. Dat kost echter meer tijd dan de drie maanden die hem door de kantonrechter zijn gegund. Het gevolg van een gedwongen ontruiming is dan dat [appellant] in het dak- en thuislozencircuit terechtkomt, wat gezien zijn leeftijd en aandoening een negatieve invloed zal hebben op zijn geestelijke en lichamelijke gezondheid. Daarom is [appellant] van mening dat zijn belangen zwaarder moeten wegen dan die van [naam] bij ontruiming van de woning.

2.11 Het hof beoordeelt de incidentele vordering aan de hand van de criteria die de Hoge Raad heeft gegeven. Die houden in dat een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde veroordeling ten uitvoer mag worden gelegd, ook als daartegen hoger beroep is ingesteld. Het hof kan de uitvoerbaarheid van het veroordelend vonnis schorsen als het belang van de veroordeelde partij bij behoud van de bestaande toestand zwaarder weegt dan het belang van de wederpartij (artikel 351 Rv).

2.12 Indien een beslissing van de kantonrechter op een kennelijke misslag zou berusten, dan kan het hof daaraan gevolgen verbinden voor de uitvoerbaarheid bij voorraad van het bestreden vonnis. Dat sprake is van een misslag is echter gesteld noch gebleken.

2.13 De kans van slagen van het hoger beroep blijft bij de beoordeling van dit incident in beginsel buiten beschouwing. In de omstandigheden van dit geval ziet het hof geen aanleiding om een uitzondering op dat beginsel aan te nemen. Dat betekent dat het hof ervan uitgaat dat sprake is van langdurige en ernstige overlast, conform het oordeel van de kantonrechter.

2.14 Bij de belangenafweging is een belangrijk gezichtspunt dat de eerste rechter de vorderingen van [naam] heeft toegewezen en dat moet worden voorkomen dat het instellen van hoger beroep wordt gebruikt als middel om uitstel te verkrijgen.

2.15 Het belang van [appellant] bij het behouden van zijn woonruimte tot het moment dat voor hem een betere plek is gevonden, is voor het hof duidelijk. Hetzelfde geldt voor de mogelijke gevolgen van een gedwongen ontruiming die op [appellant] , gezien zijn leeftijd en gesteldheid, ongetwijfeld een aanmerkelijke impact zal hebben.

2.16 Daar tegenover staat het belang van [naam] bij het vrijwaren van haar andere huurders, de omwonenden van [appellant] , van verdere ernstige overlast. Aan dat belang komt in dit geval het meeste gewicht toe. De kantonrechter heeft vastgesteld dat sprake is van ernstige overlast die er onder meer uit bestaat dat [appellant] dagelijks of vrijwel dagelijks (ook ’s nachts) hard schreeuwt en scheldt, bedreigende en beledigende taal uit en ook agressief en intimiderend is richting omwonenden. De ernst, frequentie en intensiteit van de overlast is sinds 2024 steeds verder toegenomen. [naam] heeft zich langere tijd ingespannen om de situatie beheersbaar te maken. Die inspanningen hebben echter niet tot verbetering geleid. De kantonrechter heeft vastgesteld dat de situatie inmiddels onhoudbaar is geworden en dat het verder opschalen van de hulpverlening om zo de overlast te beperken, geen reële mogelijkheid of oplossing is. De mogelijkheden om de situatie beheersbaar te maken zijn uitgeput en [appellant] is vanwege zijn niet-aangeboren hersenletsel ook zelf niet in staat om zijn gedrag aan te passen, zo stelt de kantonrechter vast. Een en ander is in dit incident door [appellant] overigens ook niet ter discussie gesteld. De kantonrechter heeft [appellant] nog een termijn van drie maanden gegeven om met behulp van hulpverlening een passende, andere woonplek te vinden. Daarbij komt dat uit wat [appellant] in hoger beroep aanvoert, niet kan worden afgeleid dat hij inmiddels geen woonoverlast meer veroorzaakt, terwijl [naam] heeft onderstreept dat die onverminderd voortduurt.

2.17 Het hof is van oordeel dat, gelet op de aard, de duur en ernst van de overlast en het gegeven dat de situatie inmiddels kennelijk niet meer beheersbaar is, het belang van [naam] bij uitvoerbaarheid bij voorraad van de veroordeling zwaarder weegt dan het belang van [appellant] bij schorsing van de tenuitvoerlegging. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat volgens [appellant] ook niet valt in te schatten hoe lang het duurt voordat er passende, andere woonruimte voor hem is gevonden. De incidentele vordering zal daarom worden afgewezen.

2.18 De beslissing over de kosten van het incident zal worden aangehouden tot de einduitspraak. De hoofdzaak zal naar de rol worden verwezen om voort te procederen.

3 De beslissing

Het hof:

in het incident

3.1 wijst de vordering af;

3.2 bepaalt dat over de kosten zal worden beslist bij einduitspraak in de hoofdzaak;

in de hoofdzaak

3.3 verwijst de zaak naar de rol van 20 oktober 2026 voor memorie van grieven;

3.4 houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Kuiper, W.F. Boele en A.A.J. Smelt, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 8 september 2026.

HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026 . HR 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:688 .