Semantius logo
Semantius
Uitspraken
ECLI:NL:GHARL:2026:5775

ECLI:NL:GHARL:2026:5775 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 08-09-2026 / 200.354.644/01
Civiel recht

Semantius verrijkingen

Samenvatting

Gerechtshof Arnhem‑Leeuwarden (locatie Leeuwarden), arrest 8 september 2026 — zaaknummer 200.354.644/01. Partijen: [appellant], voorheen handelend onder de naam [naam], wonende te [woonplaats], advocaat mr. J.P. Sanchez Montoto, versus Hoist Finance AB (gevestigd in Stockholm), advocaat mr. R.P.G. Schelvis.

Feiten en procedure

  • [appellant] sloot in juni 2017 een financial‑leaseovereenkomst met Volkswagen Bank GmbH h.o.d.n. Autocash voor een Porsche Panamera. De overeenkomst is zakelijk (niet-consument) gesloten via zijn eenmanszaak [naam] (uitgeschreven 11‑02‑2019). Vorderingsrechten zijn op 1‑9‑2018 aan Volkswagen Leasing B.V. en op 13‑8‑2019 aan Hoist Finance gecedeerd.
  • Door betalingsachterstanden werd de auto verkocht; op 28‑05‑2019 stelde Volkswagen Leasing een restantvordering vast van € 15.116,79.
  • Hoist Finance dagvaardde [appellant] op 11‑07‑2024 en vorderde bij de kantonrechter € 31.366,05 (hoofdsom € 15.116,79 + verschenen rente € 15.322,07 + buitengerechtelijke kosten € 927,19). De kantonrechter wees de vordering toe; [appellant] ging in hoger beroep.

Centrale rechtsvraag: verjaring en stuiting

  • [appellant] betoogde dat de vordering verjaard was op grond van art. 3:307 BW: verjaring liep volgens hem vanaf 28‑05‑2019 en verliep op 27‑05‑2024, vóór dagvaarding.
  • Hoist Finance stelde dat de verjaring tijdig is gestuit. Voor stuiting moest volgens art. 3:317 lid 1 BW binnen vijf jaar vóór dagvaarding een schriftelijke aanmaning zijn ontvangen. Voor ontvangst geldt art. 3:37 lid 3 BW; de afzender moet stellen en zo nodig bewijzen dat de verklaring naar een adres is verzonden waarvan redelijkerwijs mocht worden aangenomen dat de gedaagde daar bereikbaar was, en dat de verklaring daar is aangekomen (HR‑rechtspraak).

Bewijs en beoordeling

  • Hoist Finance overlegde meerdere brieven (2019–2023) en een afdruk van een e‑mail van 6‑10‑2021 van een deurwaarder gericht aan het zakelijke e‑mailadres van [appellant], plus een verklaring van een deurwaardersmedewerker dat de e‑mail via hun dossierapplicatie was verzonden en geen bounce in het systeem was geregistreerd.
  • [appellant] erkende dat de adressen juist waren maar ontkende ontvangst van de brieven en e‑mails. Het hof oordeelde dat die betwisting onvoldoende gemotiveerd was ten aanzien van de e‑mail van 6‑10‑2021: Hoist had redelijk onderbouwd dat verzending naar het toen nog in gebruik zijnde zakelijke e‑mailadres had plaatsgevonden en dat er geen bewijs van bezorgingstekort was.
  • Inhoudelijk kwalificeerde het hof de e‑mail met bijgevoegde brief (onderwerp “Laatste betaalverzoek…” en specificatie van hoofdsom, rente en kosten, met dossiernummer en naam partijen) als een ondubbelzinnige schriftelijke aanmaning die de lopende verjaring stuitte. Het meegestuurde inkomstenformulier maakte dit niet anders; het vormde onderdeel van de aanmaning en juist aanwijzing dat betaling of regeling werd nagestreefd.

Gevolg en vermogensrechtelijke beoordeling

  • Omdat de verjaring tijdig was gestuit, werd de vordering inhoudelijk behandeld. De hoofdsom van € 15.116,79 werd niet bestreden. Hoist had rente gevorderd (€ 15.322,07) maar in het geding haar rentevordering beperkt tot het niveau van de hoofdsom. Het hof wijst het meerdere aan rente af en kent in totaal toe: € 15.116,79 (hoofdsom) + € 15.116,79 (beperkte rentevergoeding) + € 927,19 (buitengerechtelijke kosten) = € 31.160,77.
  • Het bezwaar van [appellant] dat de incassokosten over een te hoog rentebedrag zouden zijn berekend faalde: de toegewezen incassokosten waren niet over rente berekend en bleken voldoende gemotiveerd.

Proceskosten en tenuitvoerlegging

  • [appellant] wordt veroordeeld in de proceskosten van Hoist Finance in hoger beroep: € 2.255 griffierecht en € 1.670 salaris advocaat (1 punt tarief III). Betaling dient binnen 14 dagen; bij verzuim wettelijke rente. De proceskostenveroordeling is uitvoerbaar bij voorraad en de rente over de proceskosten verschuldigd vanaf veertien dagen na betekening.

Beslissing

  • Het hof bekrachtigt het vonnis van 11‑12‑2024 behalve de veroordeling tot betaling van € 31.366,05; die beslissing wordt vernietigd en vervangen door veroordeling van [appellant] tot betaling van € 31.160,77 en de genoemde proceskosten. Het hoger beroep slaagt dus slechts beperkt voor [appellant]; hij wordt verder in het ongelijk gesteld.

Soortgelijke uitspraken

ECLI:NL:GHARL:2024:5300
Civiel recht
20-08-2024 79% soortgelijk
Partijen en verloop Appellant [appellant] (woonplaats: [woonplaats1], advocaat mr. B.J. den Hartog) stond in eerste aanleg tegenover ABN AMRO Hypotheken Groep B.V. (Amersfoort, advocaat mr. A.J.H. Peters). Het hof Arnhem‑Leeuwarden (locatie Arnhem,...
ECLI:NL:GHAMS:2025:3138
Civiel recht
24-11-2025 78% soortgelijk
Partijen - Appellante: [appellant], gevestigd te [plaats 1]; advocaat mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam. Appellante is in principaal hoger beroep en geïntimeerde in incidenteel hoger beroep. - Geïntimeerde: [geïntimeerde], wonende te...
ECLI:NL:GHARL:2026:1798
Civiel recht
24-03-2026 77% soortgelijk
Partijen en procedure - Appellant: [appellant], wonende te [plaats] ([land1]), bijgestaan door mr. S.N. Peijnenburg. Gedaagde: ABN AMRO Hypotheken Groep B.V., gevestigd te Amersfoort, bijgestaan door mr. A.J.H. Peters. Hoger beroep ingesteld...
ECLI:NL:RBOVE:2026:2506
Civiel recht
09-05-2026 77% soortgelijk
Rechtbank Overijssel, kantonrechter te Enschede, vonnis van 28 april 2026 (zaaknr. 12114870/CV EXPL 26-375). Eiseres: [eiseres] B.V. (gemachtigde: VD&P juristen). Gedaagde: [gedaagde], handelend onder de naam [bedrijf], procederend in persoon. Feiten kort:...
ECLI:NL:RBLIM:2025:10788
Civiel recht
03-11-2025 75% soortgelijk
Volkswagen Pon Financial Services B.V., handelend onder de naam DUTCHFINANCE (eiser, gemachtigd door Jongejan & Wisseborn c.s.), vordert betaling van achterstallige termijnen uit een financial lease/huurkoopovereenkomst betreffende een motorvoertuig tegen [gedaagde sub...

Tijdslijn

Er is nog door niemand een tijdslijn gegenereerd.
Log in of maak een gratis account om een tijdslijn te kunnen genereren.
Oorsponkelijke uitspraak

Inhoudsindicatie

Geen sprake van verjaring: de verjaring van de vordering is gestuit.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.354.644/01 zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Almere 11243677

arrest van 8 september 2026

in de zaak van

[appellant] , voorheen h.o.d.n. [naam] ( [appellant] )

die woont in [woonplaats] advocaat: mr. J.P. Sanchez Montoto

en

**Hoist Finance AB (Hoist Finance) **

die is gevestigd in Stockholm advocaat: mr. R.P.G. Schelvis

1 Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1 [appellant] heeft bij dit hof hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat op 11 december 2024 tussen partijen is uitgesproken door de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Almere. Een daarop voor 25 september 2025 bepaalde mondelinge behandeling na aanbrengen is op eenparig verzoek van partijen niet gehouden.

1.2 Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit: • de memorie van grieven • de memorie van antwoord • de antwoordakte van [appellant]

1.3 Hierna hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen.

2 De kern van de zaak

2.1 Hoist Finance heeft bij de kantonrechter gevorderd dat [appellant] wordt veroordeeld om aan haar te betalen € 31.366,05 inclusief rente en buitengerechtelijke incassokosten, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

2.2 De kantonrechter heeft de vordering van Hoist Finance toegewezen. De bedoeling van het hoger beroep is dat de toegewezen vordering alsnog wordt afgewezen.

2.3 In hoger beroep komt [appellant] op tegen het oordeel van de kantonrechter dat Hoist Finance de verjaring tijdig heeft gestuit. [appellant] betwist dat hij een stuitingsverklaring heeft ontvangen.

2.4 Net als de kantonrechter zal het hof oordelen dat Hoist Finance de verjaring tijdig heeft gestuit. Wel zal het hof een lager bedrag aan rente en aan buitengerechtelijke incassokosten toewijzen. Het hof licht dat hierna toe.

3 De toelichting op de beslissing van het hof

Bevoegdheid Nederlandse rechter en toepasselijk recht

3.1 Omdat Hoist Finance in het buitenland is gevestigd, heeft deze zaak een internationaal karakter en moet (ook in hoger beroep) de bevoegdheid van de Nederlandse rechter ambtshalve door het hof worden getoetst. De Nederlandse rechter is bevoegd omdat het gaat om een verbintenis uit overeenkomst en de gedaagde partij, [appellant] , in Nederland woont (artikel 4 lid 1 Brussel I bis Verordening).

3.2 Tegen de toepassing van het Nederlands recht door de kantonrechter zijn geen bezwaren naar voren gebracht, zodat ook het hof Nederlands recht zal toepassen.

De feiten

3.3 [appellant] heeft in juni 2017 een financiële leaseovereenkomst gesloten met Volkswagen Bank GmbH h.o.d.n. Autocash met betrekking tot een auto van het merk Porsche model Panamera (hierna: de auto).

3.4 [appellant] heeft deze overeenkomst niet als consument gesloten maar in de uitoefening van de onderneming die hij destijds had; de eenmanszaak [naam] aan de [adres1] in [woonplaats] met het e-mailadres [e-mailadres] . De eenmanszaak van [appellant] is per 11 februari 2019 uitgeschreven uit het handelsregister. [appellant] woont aan [adres2] in [woonplaats] .

3.5 De uit de financial-leaseovereenkomst voortvloeiende vorderingsrechten zijn tweemaal gecedeerd, eerst (op 1 september 2018) aan Volkswagen Leasing B.V. en vervolgens (op 13 augustus 2019) aan Hoist Finance.

3.6 [appellant] heeft een achterstand laten ontstaan in zijn termijnbetalingsverplichtingen. Die achterstand bedroeg per 27 december 2018 € 1.375,38. In een brief van 27 december 2018 gericht aan het zakelijk adres van [appellant] heeft Volkswagen Leasing (via haar bestuurder Volkswagen Pon Financial Servies B.V.) [appellant] gesommeerd om haar dit bedrag te betalen.

3.7 Bij een wegcontrole eind 2018/begin 2019 heeft de belastingdienst de auto ingenomen vanwege een (volgens [appellant] onterechte) belastingschuld. Op enig moment heeft Volkswagen Leasing B.V. aan [appellant] laten weten dat zij de auto van de belastingdienst terug heeft gekregen.

3.8 Vanwege de (inmiddels opgelopen) betalingsachterstand heeft Volkswagen Leasing B.V. de auto verkocht voor € 33.009. Dit bedrag is, na aftrek van kosten, in mindering gebracht op de resterende termijnen tot het einde van de looptijd. In een brief van 28 mei 2019 gericht aan het zakelijk adres van [appellant] heeft Volkswagen Leasing B.V. (via haar bestuurder Volkswagen Pon Financial Services) aanspraak gemaakt op betaling van € 15.116,79 als resterend saldo.

3.9 Op 11 juli 2024 heeft Hoist Finance [appellant] in deze procedure voor de kantonrechter doen dagvaarden.

Het beroep op verjaring

3.10 [appellant] voert tot zijn verweer aan dat de vordering van Hoist Finance is verjaard. Artikel 3:307 BW bepaalt dat een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst tot een geven of een doen (zoals in deze zaak: de betaling) verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden.

3.11 [appellant] stelt dat de verjaringstermijn is gaan lopen op 28 mei 2019; de datum van de brief waarin de rechtsvoorganger van Hoist Finance aan [appellant] heeft laten weten dat hij nog € 15.116,79 moet betalen. [appellant] komt tot de conclusie dat de verjaringstermijn dus afliep op 27 mei 2024 en dat de vordering van Hoist Finance op hem al was verjaard vóór hij door Hoist Finance op 11 juli 2024 werd gedagvaard. Hoist Finance betwist niet dat de verjaring is aangevangen op 28 mei 2019, maar voert aan dat de lopende verjaring tijdig is gestuit.

Het beroep op stuiting van de verjaring

3.12 De inleidende dagvaarding van 11 juli 2024 kan alleen de lopende verjaring hebben gestuit als de verjaring eerder is gestuit. Voor de stuiting van de verjaring is nodig dat een aanmaningsbrief van Hoist Finance [appellant] heeft bereikt in de vijf jaar vóór 11 juli 2024. Hoist Finance stelt dit het geval is, wat [appellant] betwist.

3.13 Artikel 3:37 lid 3 BW houdt in dat een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring, om haar werking te hebben, die persoon moet hebben bereikt. Met betrekking tot een schriftelijke verklaring geldt als uitgangspunt dat deze de geadresseerde heeft bereikt als zij door hem is ontvangen.

3.14 Als, zoals in deze zaak, de geadresseerde betwist de verklaring te hebben ontvangen, brengt volgens vaste rechtspraak een redelijke, op de behoeften van de praktijk afgestemde, uitleg mee dat de afzender in beginsel feiten en omstandigheden dient te stellen en zo nodig te bewijzen waaruit volgt dat de verklaring door hem is verzonden naar een adres waarvan hij redelijkerwijs mocht aannemen dat de geadresseerde aldaar door hem kon worden bereikt, én dat de verklaring daar is aangekomen.

3.15 Hoist Finance heeft (kopieën van) de volgende brieven overgelegd:

  • een brief van 19 april 2023 gericht aan het zakelijk adres van [appellant]
  • een brief van 24 juli 2023 gericht aan het woonadres van [appellant]
  • een brief van 15 augustus 2023 gericht aan het woonadres van [appellant]
  • een brief van 11 september 2023, gericht aan het woonadres van [appellant]
  • een brief van 9 oktober 2023, gericht aan het woonadres van [appellant]
  • een brief van 23 oktober 2023, gericht aan het woonadres van [appellant]

3.16 Hoewel het om een groot aantal brieven gaat en [appellant] erkent dat de adressen juist zijn, betwist [appellant] dat Hoist Finance deze brieven heeft verstuurd. [appellant] betwist ook dat hij die brieven heeft ontvangen.

3.17 Hoist Finance heeft vervolgens (kopieën van) aanmaningsbrieven van 9 december 2019 en 6 oktober 2021 van een deurwaarder overgelegd die volgens Hoist Finance (namens haar) op die dagen naar het zakelijk e-mailadres van [appellant] zijn gestuurd.

3.18 [appellant] betwist dat hij deze e-mails heeft ontvangen. In het licht van de door Hoist Finance verstrekte onderbouwing, volstaat die betwisting van [appellant] naar het oordeel van het hof niet waar het gaat om de e-mail van 6 oktober 2021. Hoist Finance heeft namelijk (een afdruk van) de e-mail in het geding gebracht, waarbij de brief van 6 oktober 2021 is verstuurd. Deze e-mail is gericht aan het zakelijk e-mailadres van [appellant] . In de stellingen van [appellant] is te lezen dat hij ook toen (nog) gebruik maakte van dit e-mailadres. In zijn memorie van grieven neemt [appellant] namelijk de stelling in dat van Hoist Finance (aan wie de vordering is gecedeerd nadat de eenmanszaak van [appellant] was uitgeschreven uit het handelsregister) mag worden verwacht dat zij haar aanmaningen naar dat e-mailadres stuurde omdat dit e-mailadres van de (uitgeschreven) onderneming van [appellant] in het handelsregister stond vermeld. Hoist Finance mocht dus redelijkerwijs aannemen dat [appellant] daar door haar kon worden bereikt.

3.19 Op de overgelegde (afdruk van de) e-mail is vermeld dat deze is verstuurd op woensdag 6 oktober 2021 om 08:12 uur. Verder heeft Hoist Finance een verklaring van een medewerker van het deurwaarderskantoor overgelegd. Deze medewerker verklaart dat de e-mail via de dossierapplicatie van het deurwaarderskantoor is verstuurd. Wanneer een via de dossierapplicatie van het kantoor verstuurde e-mail niet wordt bezorgd, wordt daarvan volgens de medewerker automatisch een aantekening in het systeem gemaakt. De medewerker verklaart dat in dit dossier geen enkele aantekening is dat een e-mail niet is bezorgd (in de woorden van de medewerker: is gebounced).

3.20 Het hof stelt daarom als door [appellant] onvoldoende gemotiveerd betwist vast dat de e-mail van 6 oktober 2021 van de deurwaarder [appellant] heeft bereikt. [appellant] betwist verder dat de bij deze e-mail meegestuurde brief geldt als een stuitingsverklaring. Het hof oordeelt daarover als volgt.

3.21 Artikel 3:317 lid 1 BW bepaalt dat de lopende verjaring van een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis wordt gestuit door een schriftelijke aanmaning of door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt. Deze schriftelijke mededeling moet een voldoende duidelijke waarschuwing aan de schuldenaar inhouden dat hij, ook na het verstrijken van de verjaringstermijn, ermee rekening moet houden dat hij de beschikking houdt over zijn gegevens en bewijsmateriaal, opdat hij zich tegen een dan mogelijkerwijs alsnog door de schuldeiser ingestelde vordering behoorlijk kan verweren.

3.22 De brief gelezen in samenhang met de e-mail kwalificeert naar het oordeel van het hof als een schriftelijke aanmaning. De e-mail heeft als onderwerp “Laatste betaalverzoek inzake uw dossier 11917336” en als bijlage: “brf wpij Laatste kans (Hoist).pdf”. De e-mail bevat verder de volgende begeleidende tekst “In uw dossier met kenmerk 11917336 ontvangt u hierbij een brief. Wij verwijzen u graag naar de inhoud ervan.” In de met de e-mail meegestuurde brief staat: “11917336: HOIST FINANCE AB VW/ [naam]

Hoofdsom voor titel€ 15.219,43

Rente tot heden € 5.980,08

Nog te verschijnen rente PM*

Incassokosten€ 927,10

Informatiekosten€ 1,80

------------------------ -/-

Saldo€22.128,50 + P.M.*

*P.M. = Mogelijk te verwachten, maar niet inzichtelijke kosten.

3.23 Hiermee heeft Hoist Finance zich ondubbelzinnig haar recht op nakoming voorbehouden, wat ook voor [appellant] voldoende duidelijk moest zijn. Het gaat om een laatste betaalverzoek waarbij in de brief en in de e-mail naar hetzelfde dossiernummer wordt verwezen en in de brief de namen van partijen zijn opgenomen. De omstandigheid dat de brief ook een door [appellant] in te vullen en naar de deurwaarder terug te sturen inkomstenformulier bevat, zegt niet meer of anders dan dat de deurwaarder (namens Hoist Finance) wil weten wat de financiële draagkracht is van [appellant] in het kader van een mogelijke betalingsregeling of een eventueel (conservatoir) beslag. Het hof volgt [appellant] niet in zijn zienswijze dat uit het meegestuurde inkomstenformulier blijkt dat geen sprake is van een stuitingsverklaring. Het maakt eerder nog duidelijker dat Hoist Finance onverkort aanspraak blijft maken op nakoming ofwel betaling – al dan niet in termijnen.

3.24 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat Hoist Finance in ieder geval met de e-mail en bijgesloten brief van 6 oktober 2021 de lopende verjaringstermijn tijdig heeft gestuit en dat de vordering van Hoist Finance niet is verjaard. Of [appellant] één of meer of andere aanmaningen heeft ontvangen, hoeft daarmee geen bespreking. Omdat de vordering niet is verjaard, komt de vraag aan de orde of de vordering toewijsbaar is.

De hoogte van de door Hoist Finance gevorderde hoofdsom en vertragingsrente

3.25 Hoist Finance vordert € 31.366,05 van [appellant] . Dat bedrag omvat de in de brief van 28 mei 2019 vermelde hoofdsom van € 15.116,79, een bedrag van € 15.322,07 aan verschenen rente en een bedrag van € 927,19 aan buitengerechtelijke kosten.

3.26 [appellant] betwist de hoogte van de gevorderde hoofdsom niet. Wel maakt [appellant] bezwaar tegen het door de kantonrechter toegewezen bedrag van € 15.322,07 aan contractuele rente. [appellant] berekent de contractuele rente van 1,5% per maand over de hoofdsom van € 15.116,79 over de periode 28 mei 2019 tot en met 11 juli 2024 op een bedrag van € 2.116,95. Onduidelijk is hoe [appellant] op dit bedrag komt. [appellant] betwist niet de stelling van Hoist Finance dat een rente van 1,5% per maand over het openstaande saldo is overeengekomen. Wel wijst [appellant] erop dat die rente uitkomt op een hoger bedrag van de hoofdsom. In deze procedure heeft Hoist Finance inderdaad haar rentevordering beperkt tot het niveau van de hoofdsom en afstand gedaan van verdere rente. Gelet daarop zal het hof het door Hoist Finance meer dan € 15.116,79 aan contractuele rente gevorderde, afwijzen.

Buitengerechtelijke incassokosten

3.27 [appellant] voert als bezwaar tegen het door de kantonrechter toegewezen bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten aan, dat het bedrag is berekend over een te hoog bedrag aan rente. Dat klopt niet; het aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderde bedrag is niet berekend over de rente. Deze grief van [appellant] mist een deugdelijke grondslag en slaagt niet. Het bedrag van € 927,19 is als onvoldoende gemotiveerd toewijsbaar.

De conclusie

3.28 Het hof zal [appellant] veroordelen om aan Hoist Finance te betalen een bedrag van € 31.160,77 (€ 15.116,79 + € 15.116,79 + € 927,19). Het hoger beroep slaagt dus voor een klein deel. Omdat [appellant] hoofdzakelijk in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof [appellant] tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.

3.29 De proceskostenveroordeling in deze uitspraak kan ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

4 De beslissing

Het hof:

4.1 bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Almere van 11 december 2024, behalve de beslissing onder 3.1.

veroordeelt [appellant] om aan Hoist Finance te betalen een bedrag van € 31.366,05

die hierbij wordt vernietigd en beslist opnieuw als volgt:

veroordeelt [appellant] om aan Hoist Finance te betalen een bedrag van € 31.160,77;

4.2 veroordeelt [appellant] tot betaling van de volgende proceskosten van Hoist Finance:

  • € 2.255 aan griffierecht
  • € 1.670 aan salaris van de advocaat van Hoist Finance (1 procespunt x het toepasselijke tarief III)

4.3 bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;

4.4 verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

4.5 wijst af wat verder is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mrs. H. de Hek, W.F. Boele en C.P. Lunter, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 8 september 2026.

Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking). Hoge Raad 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4104 . Hoge Raad 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2741 . HR 10 juni 2022, ECLI: NL:HR:2022:853.