Semantius logo
Semantius
Uitspraken
ECLI:NL:GHARL:2026:5772

ECLI:NL:GHARL:2026:5772 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 08-09-2026 / 200.335.659/03
Civiel recht

Semantius verrijkingen

Samenvatting

Het gerechtshof Arnhem‑Leeuwarden (locatie Leeuwarden), zaaknrs. 200.335.659/03 (appel) en 205901 (instantie), heeft op 8 september 2026 arrest gewezen in het hoger beroep dat [appellant1] en [appellant2] (gezamenlijk: appellanten) hebben ingesteld tegen Stichting Opleidings‑ en Ontwikkelingsfonds voor De Beroeps Begeleidende Leerweg en daaraan gerelateerde beroepen (in liquidatie, hier: OOBB). Appellanten voerden verweer tegen het vonnis van de rechtbank Noord‑Nederland d.d. 8 maart 2023, waarmee appellanten en vier andere oud‑bestuurders van NDS hoofdelijk werden veroordeeld tot betaling van € 2.250.000. OOBB heeft haar vordering in hoger beroep verminderd tot € 1.818.431,54 wegens schikkingen met de andere oud‑bestuurders.

Feiten (kort): OOBB ontving onder de ESF 2007‑2013 regeling voorschotten voor zes projecten ter waarde van € 4.394.047. OOBB schakelde projectadministratie uit via NDS (opgericht 25‑11‑2009) nadat de derde partij „op afstand” van OOBB moest staan. Statutaire bestuurders van NDS waren onder meer appellanten (appellant1 bestuurder tot 15‑9‑2011; appellant2 bestuurder vanaf 15‑9‑2011 tot ontbinding per 31‑12‑2015). NDS factureerde en kreeg totaal circa € 2.865.802 (inclusief btw) van OOBB; voor de zes projecten factureerde NDS € 2.466.618,94. NDS betaalde via 33 transacties € 590.109 aan De Lauwershorst B.V. (vennootschap waarvan [naam1], [naam2] en appellant1 betrokken waren). Het Agentschap SZW stelde later (besluiten 26‑7‑2016 en 10‑1‑2017) de subsidiebedragen op nihil wegens onvoldoende betrouwbare projectadministratie en revorderde de voorgeschoten bedragen; OOBB betaalde niet en werd op 19‑7‑2017 ontbonden; vereffening werd heropend.

Vordering en grondslagen: OOBB vordert jegens appellanten hoofdelijk schadevergoeding op grond van groepsaansprakelijkheid (art. 6:166 BW) en onrechtmatige daad (art. 6:162 BW). OOBB betoogt dat appellanten in groepsverband met anderen zouden hebben deelgenomen aan valsheid in geschrifte en oplichting, dat NDS onnodige/ niet‑gemaakte uren en onrechtmatige betalingen in rekening bracht en dat (delen van) die gelden bij appellanten en hun vennootschappen terecht kwamen.

Beoordeling en juridische redenen hof (samengevat):

  • Uitgangspunt is dat in beginsel alleen de rechtspersoon aansprakelijk is; persoonlijke aansprakelijkheid van bestuurders vergt bijzondere omstandigheden en dat aan hen persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Dit geldt ook bij aanspraken op grond van groepsaansprakelijkheid (hogere maatstaf).
  • Appellanten stelden dat zij niet betrokken waren bij facturatie en financiële administratie van NDS; appellant1 zou na 15‑9‑2011 niet meer statutair bestuurder zijn geweest maar wel (in loondienst of als adviseur) werkzaamheden hebben verricht; appellant2 betwist actieve betrokkenheid bij facturatie.
  • Verjaring: het hof verwerpt het verjaringsverweer van appellanten. Gelet op de stellingen en de feiten (waaronder de besluiten van het Agentschap van 26‑7‑2016 en 10‑1‑2017) is de vordering van OOBB bij dagvaarding 19‑5‑2021 nog niet verjaard (verjaringstermijn 5 jaar).
  • Bewijskwesties: het hof oordeelt dat OOBB voldoende heeft gesteld dat (i) NDS uren en kosten in rekening bracht die niet werden gemaakt, (ii) er € 408.500 aan betalingen zonder rechtsgrond is gedaan en (iii) er persoonlijke bevoordeling heeft plaatsgevonden. Tegelijkertijd is die stelling onvoldoende aangetoond op basis van de overgelegde producties: overzichten (producties 64–67 e.a.) zijn onleesbaar, niet voldoende onderbouwd of ontbreken onderliggende stukken. OOBB heeft ook deels gesteund op stukken uit procedures tegen andere gedaagden, die niet tot het dossier van dit geding behoren.
  • Gevolg: het hof besluit niet over de vordering op de merites, maar laat OOBB toe tot nadere bewijslevering. OOBB krijgt gelegenheid om te bewijzen (onder meer door getuigenverhoren en overlegging stukken) dat en in welke mate niet‑gemaakte uren in rekening zijn gebracht en voldaan, dat € 408.500 onrechtmatig is betaald, dat appellanten persoonlijk hebben geprofiteerd en dat appellanten hebben deelgenomen aan gedragingen in groepsverband. Tevens moet OOBB specificeren in hoeverre haar onrechtmatige‑daadvordering ziet op perioden waarin appellanten geen statutair bestuurder waren.
  • Procedurele beslissingen: het hof bepaalt nadere termijnen en regelt dat OOBB uiterlijk bij akte van 6 oktober 2026 aangeeft of zij getuigen wil horen en/of bewijsstukken wil overleggen; indien alleen stukken: direct inbrengen. Appellanten krijgen vervolgens gelegenheid tot reactie. Het hof hield verdere beslissing aan en gaf partijen in overweging te bezien of een minnelijke regeling mogelijk is.

Slotsom: het hof heeft het bewijsverzoek van OOBB toegestaan en de zaak verwezen naar nader bewijs; het hoger beroep is niet inhoudelijk beslist.

Soortgelijke uitspraken

ECLI:NL:GHDHA:2025:2304
Civiel recht > Ondernemingsrecht
05-11-2025 78% soortgelijk
Gerechtshof Den Haag (arrest 11 november 2025) – samenvatting Partijen - Appellanten: [appellant 1], [appellant 2], [appellant 3], Green Group B.V. en Stichting Groen (met mr. E. Spijer als raadsman). - Gegadigde/appelante...
ECLI:NL:GHARL:2025:2561
Civiel recht
25-04-2025 76% soortgelijk
[appellant] (woonplaats: [woonplaats1]), voormalig statutair bestuurder van Stego Nederland B.V. (gevestigd te Emmen), en Stego voerden hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Noord‑Nederland (15 maart 2023). Stego vordert dat [appellant]...
ECLI:NL:GHARL:2026:1106
Civiel recht
24-02-2026 75% soortgelijk
[appellant] (advocaat mr. R.P. van Boven) was samen met zijn zoon indirect bestuurder van [bedrijf2], een makelaarsvennootschap. [geïntimeerde] (advocaat mr. J. Boelens) was sinds 4 februari 2010 enig bestuurder van CPC Beheer...
ECLI:NL:GHSHE:2026:421
Civiel recht > Verbintenissenrecht
20-02-2026 75% soortgelijk
Gerechtshof ’s‑Hertogenbosch (Team Handelsrecht), arrest 17 februari 2026 (zakennrs. 200.338.261/01 en 200.337.850/01). Partijen: [persoon A] (appellant in principaal hoger beroep), de vereffenaar van Stichting Beheer Derdengelden [persoon C] in liquidatie (appellant/in verweerschrift),...
ECLI:NL:GHARL:2026:5723
Civiel recht
03-09-2026 75% soortgelijk
[appellant] (huisarts, woonplaats1) en [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] (beide huisartsen, woonplaats2 en woonplaats3) waren samen bestuurders van twee stichtingen: [stichting1] (huur en inventaris eerstelijnscentrum in [plaats1]) en [stichting2] (ontvangst en verdeling van samenwerkingsinkomsten)....

Tijdslijn

Er is nog door niemand een tijdslijn gegenereerd.
Log in of maak een gratis account om een tijdslijn te kunnen genereren.
Oorsponkelijke uitspraak

Inhoudsindicatie

Bestuurdersaansprakelijkheid. Groepsaansprakelijkheid. Tussenarrest met bewijsopdracht.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden, afdeling civiel

zaaknummer gerechtshof 200.335.659/03 zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 205901

arrest van 8 september 2026

in de zaak van

1 [appellant1] ,

en

2. [appellant2], die beiden wonen in [woonplaats] , die hoger beroep hebben ingesteld, hierna: [appellant1] en [appellant2], en samen: [appellanten], advocaat: mr. V.K.S. Budhu Lall te ’s-Gravenhage en mr. P. Obbeek te Delft,

tegen

Stichting Opleidings- en Ontwikkelingsfonds voor De Beroeps Begeleidende Leerweg en daaraan gerelateerde beroepen, in liquidatie die is gevestigd in Leek, hierna: OOBB, advocaat: mr. L. Wijnbergen te Groningen.

1 Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1. [appellanten] hebben hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, op 8 maart 2023 tussen partijen heeft gewezen. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt onder meer uit:

  • de appeldagvaarding 7 juni 2023,
  • het herstelexploot van 27 september 2023,
  • de memorie van grieven (met producties), van mr. Budhu Lall en mr. Obbeek,
  • de memorie van antwoord (met producties), van mr. Wijnbergen,
  • de akte overlegging productie, van mr. Wijnbergen,
  • de akte uitlating producties, van mr. Budhu Lall en mr. Obbeek,
  • het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling van 2 oktober 2025,
  • de doorhaling van de procedure op de rol, waarna deze procedure op 17 maart 2026 weer is opgebracht door mr. Wijnbergen (OOBB),
  • de akte eisvermindering, van mr. Wijnbergen,
  • de akte uitlating wijziging van eis, van mr. Budhu Lall en mr. Obbeek.

1.2. Vervolgens is een datum bepaald voor de uitspraak in deze zaak.

2 De kern van de zaak

2.1. Volgens OOBB is op frauduleuze wijze ruim € 2,25 miljoen aan haar vermogen onttrokken. OOBB meent dat [appellanten] bij die fraude betrokken waren, dit (mede) in hun hoedanigheid van bestuurder van de stichting NDS. [appellanten] zijn, aldus OOBB, hoofdelijk aansprakelijk voor de geleden schade. [appellanten] menen dat de verwijten onterecht zijn.

2.2. OOBB heeft bij de rechtbank gevorderd [appellanten] en vier andere oud-bestuurders van NDS dan wel OOBB hoofdelijk te veroordelen tot betaling van schadevergoeding. De vordering is gebaseerd op groepsaansprakelijkheid (artikel 6:166 BW) en onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW). De rechtbank heeft de vordering grotendeels toegewezen. Daarbij heeft de rechtbank [appellanten] en de vier andere gedaagden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van € 2.250.000, met rente en kosten. De veroordeling is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

2.3. [appellanten] willen met dit hoger beroep bereiken dat de vordering die OOBB tegen hen heeft ingesteld, alsnog wordt afgewezen. OOBB heeft haar vordering tegen [appellanten] in hoger beroep verminderd, dit naar aanleiding van schikkingen die zij getroffen heeft met de andere vier oud-bestuurders. De vordering houdt nu in dat [appellanten] hoofdelijk veroordeeld worden tot betaling van € 1.818.431,54, te vermeerderen met rente en met de proceskosten.

2.4. Het hof zal in dit arrest nog niet definitief over de vordering beslissen. Het hof zal OOBB eerst toelaten tot bewijs van haar stellingen. Dit oordeel wordt hieronder toegelicht. Daarbij geeft het hof eerst een overzicht van de feiten.

3 De feiten

3.1. De stichting OOBB is opgericht op 26 maart 2007. [naam1] (hierna: [naam1] ) was bestuurder van OOBB vanaf de oprichting tot 1 oktober 2013. [naam2] (hierna: [naam2] ) was bestuurder van OOBB vanaf de oprichting tot 19 juli 2017, de datum dat OOBB door haar bestuur werd ontbonden wegens gebrek aan baten. Het bestuur van OOBB bestond naast [naam1] en/of [naam2] telkens ook uit enkele andere bestuurders.

3.2. OOBB was een erkend Opleidings- en Ontwikkelingsfonds (hierna: O&O-fonds). Een O&O-fonds schoolt werknemers (bij) via regionale opleidingsinstituten en werkgevers (hierna: opleiders) in de sector waarop dat fonds zich richt. Voor scholingsprogramma’s kan een O&O-fonds subsidies aanvragen bij de Staat der Nederlanden en de Europese Unie. De door de Staat en/of de Europese Unie verstrekte subsidies worden door een O&O-fonds (deels) doorbetaald aan de opleiders. De opleiders zorgen voor de scholing van de leerlingen. Na afloop van het scholingsprogramma wordt door en/of namens de subsidieverstrekker gecontroleerd of aan alle eisen van de subsidieregeling is voldaan.

3.3. In het kader van de ESF 2007-2013 subsidieregeling (hierna: de ESF-regeling) konden subsidies worden verstrekt ten behoeve van de opleiding van een in die regeling beschreven groep mensen. In de ESF-regeling was het Agentschap SZW van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: het Agentschap) aangewezen als managementautoriteit. Het Agentschap beoordeelde in die hoedanigheid de aanvragen en controleerde achteraf of aan de voorgeschreven regels was voldaan. OOBB richtte zich als O&O-fonds op de sectoren bouw en infra, en specifiek op Actie D van de ESF-regeling. Dit laatste hield in dat OOBB subsidie kon aanvragen voor projecten dienende tot verbetering van de arbeidsmarktpositie van laag gekwalificeerde werkenden en werkzoekenden.

3.4. OOBB heeft onder de ESF-regeling voor acht projecten subsidie aangevraagd. Zes van die projecten – de projecten waar het in deze procedure om gaat – vonden plaats in de periode van 1 oktober 2009 tot en met juli 2012. Dit betreft drie projecten in de sector infra (nummers 313, 7 en 348) en drie projecten in de sector bouw (nummers 307, 91 en 375). Het Agentschap heeft voor die projecten de aangevraagde ESF-subsidie verleend, op voorwaarde van realisatie van de projecten conform de aanvraag en van naleving van de verplichtingen opgenomen in de ESF-regeling. In de beschikkingen van het Agentschap is bepaald dat het uiteindelijke subsidiebedrag vastgesteld wordt na verantwoording door OOBB en na indiening van een einddeclaratie door OOBB.

3.5. OOBB heeft het Agentschap gevraagd om een voorschot op de subsidiebedragen. OOBB ontving daarop voor de zes ESF-projecten de volgende voorschotten:

  • ESF 313 € 868.673,00
  • ESF 307 € 661.392,00
  • ESF 7 € 623.355,00
  • ESF 91 € 558.052,00
  • ESF 375 € 734.080,00
  • ESF 348 € 948.495,00

Totaal € 4.394.047,00

3.6. OOBB heeft in het kader van de projecten (standaard)overeenkomsten gesloten met een aantal opleiders. In de overeenkomsten is onder meer vermeld welk bedrag aan subsidie aan de opleider zou worden betaald.

3.7. OOBB liet de projectadministratie van de EFS-projecten aanvankelijk uitvoeren door GOA Infra Facilitair B.V. (hierna: Facilitair BV). [naam1] – destijds bestuurder van OOBB – was ook bestuurder van Facilitair BV. De aandelen in Facilitair BV werden gehouden door Stichting GOA Infra, een stichting waarvan [naam1] directeur was met volledige volmacht.

3.8. Het Agentschap heeft van OOBB verlangd dat de derde die de projectadministratie van de ESF-projecten voor OOBB uitvoerde, voortaan ‘op afstand’ zou staan van OOBB. Op 25 november 2009 is om die reden een nieuwe stichting opgericht, Stichting Nord-Delta Solutions (hierna: NDS).

3.9. Het statutair bestuur van NDS bestond vanaf de oprichting op 25 september 2009 uit:

  • [appellant1] (appellant 1); bestuurder tot 15 september 2011. [appellant1] is de echtgenoot van [appellant2] (appellant 2).
  • [naam3] (hierna: [naam3] ); bestuurder tot 1 oktober 2013. [naam3] is de echtgenote van [naam1] .
  • [naam4] (hierna: [naam4] ); bestuurder tot 1 oktober 2013. [naam4] is de echtgenote van [naam2] .

3.10. Toen [appellant1] per 15 september 2011 terugtrad als bestuurder van NDS, werd hij in die functie opgevolgd door zijn echtgenote [appellant2] . [appellant2] was volgens de inschrijving in het handelsregister bestuurder van NDS van 15 september 2011 tot aan de ontbinding van NDS per 31 december 2015 (en enig bestuurder van NDS in de periode vanaf 1 oktober 2013). [appellant1] is na zijn terugtreden als bestuurder, bij NDS in loondienst gekomen met de functie directeur. In december 2012 is [appellant1] uit dienst getreden bij NDS, waarna hij als zelfstandige met NDS een overeenkomst heeft gesloten. Op basis van die overeenkomst heeft [appellant1] vervolgens de directietaken voor NDS uitgevoerd. Dit laatste heeft geduurd tot aan de ontbinding van NDS per 31 december 2015.

3.11. Facilitair BV heeft haar werkzaamheden voor OOBB bij akte van 2 februari 2010 overgedragen aan NDS. Aan het Agentschap is meegedeeld dat NDS op afstand stond van OOBB.

3.12. In 2010 hebben [naam1] , [naam2] en [appellant1] de vennootschap De Lauwershorst B.V. opgericht (hierna: De Lauwershorst). [naam1] , [naam2] en [appellant1] waren elk bestuurder en aandeelhouder van De Lauwershorst.

3.13. NDS heeft bij OOBB bedragen in rekening gebracht voor werkzaamheden in het kader van de ESF-projecten, dit op basis van het aantal gewerkte uren. Het tarief van NDS voor projectadministratie bedroeg – in elk geval in de regel – € 37,50 of € 38,00 per uur, exclusief btw. Het tarief voor projectleiding / coördinatie was € 72,50 per uur, exclusief btw. NDS heeft voor de zes projecten in totaal € 2.466.618,94 in rekening gebracht. Dit bedrag is door OOBB aan NDS voldaan. OOBB heeft daarnaast, al dan niet op basis van een door NDS aan OOBB verzonden factuur, nog diverse andere betalingen aan NDS gedaan. In totaal heeft OOBB in de periode van 17 december 2009 tot 8 juli 2015 aan NDS een bedrag van € 2.865.802 voldaan (te weten € 2.368.431,54, vermeerderd met btw).

3.14. NDS heeft vanaf november 2012 in 33 transacties in totaal € 590.109 betaald aan De Lauwershorst. De Lauwershorst heeft aanzienlijke betalingen gedaan aan (vennootschappen van) [appellanten] , [naam1] , [naam3] , [naam2] en [naam4] (de laatste vier worden hierna samen aangeduid als: [de namen] ).

3.15. [naam1] is per 1 oktober 2013 teruggetreden als bestuurder van OOBB. Van 2014 tot 2016 heeft [naam1] via zijn vennootschap Korporalis Beheer B.V. (hierna: Korporalis BV) het secretariaat bij OOBB gevoerd.

3.16. [naam2] is, al dan niet samen met [naam4] , bestuurder en aandeelhouder van [naam2] Beheer B.V. (hierna: [naam2] Beheer). Tussen april en augustus 2012 is door NDS € 34.001,90 betaald aan [naam2] Beheer.

3.17. Op 31 december 2015 is in het handelsregister geregistreerd dat NDS per die datum is opgehouden te bestaan omdat er geen bekende baten meer aanwezig zijn.

3.18. Het Agentschap heeft de subsidieaanvragen van OOBB (nader) gecontroleerd. Zij heeft vervolgens bij besluiten van 26 juli 2016 en 10 januari 2017 de subsidiebedragen voor de zes ESF-projecten op nihil gesteld. Volgens het Agentschap heeft OOBB niet voldaan aan de vereisten uit de ESF-regeling, omdat de einddeclaratie en de daaraan ten grondslag liggende projectadministratie als onvoldoende betrouwbaar zijn aangemerkt. Het Agentschap heeft de verstrekte voorschotten van in totaal € 4.394.047,- van OOBB teruggevorderd. OOBB heeft de vordering van het Agentschap onbetaald gelaten.

3.19. Op 19 juli 2017 is OOBB door middel van een ‘turboliquidatie’ ontbonden. Het Agentschap heeft op enig moment aan de rechtbank verzocht de vereffening van OOBB te heropenen (als bedoeld in artikel 2:23c BW). De rechtbank heeft dat verzoek op 9 juli 2018 toegewezen. Daarbij heeft de rechtbank mr. E. Eshuis benoemd tot vereffenaar van OOBB.

3.20. OOBB heeft [appellanten] en [de namen] op 19 mei 2021 gedagvaard voor de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen. OOBB vorderde onder meer een hoofdelijke veroordeling tot betaling van schade die OOBB geleden zou hebben door, kort gezegd, het frauduleus wegsluizen van de betaalde subsidie-voorschotten. [appellanten] en [de namen] hebben gezamenlijk verweer gevoerd. De rechtbank heeft daarop bij vonnis van 8 maart 2023 [appellanten] en [de namen] hoofdelijk veroordeeld tot betaling van € 2.250.000, te vermeerderen met rente en met de proceskosten. De veroordelingen zijn uitvoerbaar bij voorraad verklaard. [appellanten] en [de namen] hebben tegen dat vonnis allen hoger beroep ingesteld; in hoger beroep hebben zij echter niet langer gezamenlijk geprocedeerd.

3.21. Op 2 oktober 2025 vond bij het hof een mondelinge behandeling plaats waarop de hoger beroepen van [appellanten] en [de namen] gezamenlijk zijn behandeld. Na die zitting zijn de procedures enige tijd aangehouden voor overleg tussen partijen. Tussen OOBB en [de namen] zijn vervolgens schikkingen bereikt. Deze procedure – de procedure tussen [appellanten] en OOBB – is voortgezet. OOBB heeft naar aanleiding van de met [de namen] getroffen schikkingen, haar vordering tegen [appellanten] met € 550.000 verminderd.

4 Het oordeel van het hof

De vorderingen en de grondslagen

4.1. De vordering die in dit hoger beroep ter beoordeling voorligt, is de vordering van OOBB om [appellanten] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 1.818.431,54, dan wel (subsidiair) € 1.700.000 of (meer subsidiair) een in goede justitie vast te stellen bedrag, telkens te vermeerderen met rente en met veroordeling van [appellanten] in de proceskosten.

4.2. OOBB baseert haar vordering allereerst op groepsaansprakelijkheid in de zin van artikel 6:166 BW. Volgens OOBB hebben [appellanten] zich samen met [de namen] in groepsverband schuldig gemaakt aan valsheid in geschrifte en oplichting, en hebben zij zo misbruik gemaakt van de aan OOBB verstrekte subsidiegelden. [appellanten] en [de namen] hebben – ook in hun hoedanigheid van bestuurder van OOBB respectievelijk van NDS – eraan meegewerkt dat OOBB betalingen deed aan NDS, dit terwijl zij wisten of behoorden te weten dat er voor die betalingen geen of geen toereikende grondslag bestond. Op die wijze zijn op onrechtmatige wijze gelden aan OOBB onttrokken. [appellanten] en [de namen] hebben die gelden (deels) aan zichzelf ten goede laten komen, dit onder meer door betalingen te laten doen aan hun persoonlijke vennootschappen. Van dit alles treft hen persoonlijk een ernstig verwijt, aldus telkens OOBB.

4.3. De vordering van OOBB is daarnaast gebaseerd op (individuele) onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW). OOBB stelt in dat kader onder meer dat [appellanten] als bestuurders van NDS meewerkten aan het op frauduleuze wijze onttrekken van gelden aan OOBB, onder meer door toe te laten en te faciliteren dat OOBB betalingen deed aan NDS waarvoor geen rechtsgrond bestond. [appellanten] zouden in elk geval hun taak als bestuurders van NDS ernstig verzuimd hebben door niet te beletten dat NDS gebruikt werd om op frauduleuze wijze gelden aan OOBB te onttrekken. OOBB betoogt dat [appellanten] daarmee onrechtmatig gehandeld hebben jegens OOBB en dat hen daarvan ook persoonlijk een ernstig verwijt treft.

Uitgangspunt bij de beoordeling

4.4. OOBB baseert de vorderingen tegen [appellanten] , naar het hof begrijpt, geheel of in belangrijke mate op gedragingen van [appellanten] als statutair en/of feitelijk bestuurder van NDS. Het hof stelt daarom bij de beoordeling voorop dat als een rechtspersoon tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, uitgangspunt is dat alleen de rechtspersoon aansprakelijk is voor daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden kan er, naast aansprakelijkheid van die rechtspersoon, ook ruimte zijn voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de rechtspersoon op grond van onrechtmatig handelen. Voor het aannemen van zodanige aansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder ter zake van de benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Voor die aansprakelijkheid van de bestuurder gelden dus hogere eisen dan in het algemeen het geval is. Die hogere eisen gelden ook voor persoonlijk aansprakelijkheid van een bestuurder wegens handelen in groepsverband (artikel 6:166 BW).

Beroep op verjaring

4.5. [appellanten] betogen dat de vordering al afgewezen moet worden omdat een eventuele vordering van OOBB is verjaard. Het hof volgt [appellanten] daarin niet. OOBB legt namelijk (mede) aan de vordering ten grondslag dat [appellanten] eraan meewerkten en toelieten dat NDS van OOBB betalingen ontving waarvoor geen grondslag bestond. Volgens OOBB vond dat handelen en nalaten van [appellanten] plaats in feitelijke afstemming of coördinatie met [naam1] en/of [naam5] , die destijds (onder meer) bestuurder waren van OOBB. OOBB betoogt verder dat [appellanten] , [naam1] en [naam2] persoonlijk van die betalingen profiteerden, onder meer doordat NDS van de ontvangen gelden aanzienlijke bedragen doorbetaalde aan De Lauwershorst, een vennootschap waarvan [appellant1] , [naam1] en [naam5] de bestuurders en aandeelhouders waren. [appellant2] heeft als echtgenote van [appellant1] eveneens van die betalingen geprofiteerd, aldus OOBB.

4.6. Het hof oordeelt dat de wetenschap van [naam1] en [naam2] over betalingen van OOBB aan NDS waarvoor geen grondslag zou bestaan, onder die gestelde omstandigheden niet aangemerkt kan worden als wetenschap van OOBB. Onder die omstandigheden wisten [appellanten] immers, of behoorden zij in elk geval te weten, dat de handelwijze van [naam1] en/of [naam2] – ook vanwege conflicterende belangen van NDS en OOBB – niet strookte met het belang van OOBB en met een goede vervulling van de (bestuurs)taak van [naam1] en [naam2] . Daarbij merkt het hof op dat ook niet gesteld of gebleken is dat [appellanten] andere bestuurders, leidinggevenden of betrokkenen van OOBB over de bedoelde gang van zaken geïnformeerd hebben of dat dergelijke betrokkenen daar anderszins van op de hoogte waren. Vast staat dat het Agentschap bij besluiten van 26 juli 2016 en 10 januari 2017 de subsidiebedragen voor de zes ESF-projecten op nihil heeft gesteld, omdat de einddeclaratie en de daaraan ten grondslag liggende projectadministratie als onvoldoende betrouwbaar zijn aangemerkt (zie hierboven, onder 3.18). [appellanten] hebben niet voldoende gemotiveerd gesteld en er is ook niet gebleken dat andere bestuurders of overige betrokkenen bij OOBB (anderen dan [naam1] en [naam2] ) vóór 26 juli 2016 van de gestelde onregelmatigheden bij OOBB wisten of behoorden te weten. Het hof ziet bij deze stand van zaken – voor zover de vordering van OOBB op de hiervoor genoemde gronden en verwijten is gebaseerd – dan ook geen grond om aan te nemen dat de verjaringstermijn vóór die datum is aangevangen. De verjaringstermijn bedraagt vijf jaren (artikel 3:310 lid 1 BW). De bedoelde vordering was – gelet op de verwijten die OOBB aan de vordering ten grondslag legt – ten tijde van het uitbrengen van de inleidende dagvaarding van 19 mei 2021 dus nog niet verjaard.

Facturatie en betalingen

4.7. OOBB legt (mede) aan de vordering ten grondslag dat NDS aan OOBB arbeidsuren en kosten in rekening heeft gebracht die in werkelijkheid niet gemaakt zijn. OOBB wijst in dat kader onder meer op het overzicht dat is overgelegd als productie 66 bij memorie van antwoord. Volgens dat overzicht heeft NDS bijvoorbeeld in 2011 honderden arbeidsuren in rekening gebracht van onder andere [naam5] , [naam6] , [naam7] en [naam8] , terwijl in die periode voor deze personen door NDS geen salaris of andere vergoeding is betaald. Volgens OOBB kan het dus niet anders dan dat die in rekening gebrachte uren die in werkelijkheid niet gemaakt zijn. Naast de onterecht gedeclareerde administratiekosten zou OOBB nog in totaal € 408.500 (al dan niet exclusief btw) aan NDS betaald hebben zonder dat er voor die betalingen een deugdelijke grondslag bestond. Verder stelt OOBB dat er, al dan niet via NDS, forse betalingen gedaan zijn aan (vennootschappen van) [appellanten] en [de namen] , en deze zouden zodoende ook persoonlijk van de onttrekkingen aan OOBB geprofiteerd hebben. OOBB wijst in dit verband onder meer op een als productie 67 overgelegd overzicht van betalingen door De Lauwershorst, en op een overzicht van geldstromen dat is overgelegd als productie 64. [appellanten] hebben de juistheid dan wel verwijtbaarheid van dat alles betwist.

4.8. Het hof stelt voorop dat OOBB voldoende gemotiveerd gesteld heeft dat NDS niet-gemaakte uren en kosten in rekening bracht en dat die bedragen vervolgens ook door OOBB zijn voldaan. Ook is voldoende gesteld dat verdere betalingen van in totaal € 408.500 aan NDS zijn gedaan waarvoor geen rechtsgrond bestond, en dat er – vanwege betalingen aan (vennootschappen van) [appellanten] en [de namen] – ook persoonlijk van de onttrekkingen aan OOBB geprofiteerd is. De juistheid van die stellingen acht het hof vooralsnog echter niet aangetoond. Daarbij is van belang dat de overzichten en andere producties waar OOBB zich in dit verband op beroept, – zoals [appellanten] terecht opmerken – niet of niet voldoende onderbouwd zijn met relevante bewijsstukken. Zo beroept OOBB zich op een kennelijk door haarzelf opgesteld overzicht dat is overgelegd als productie 66. Niet duidelijk is echter op welke gegevens dat overzicht gebaseerd is, en de onderliggende stukken zijn kennelijk niet of slechts ten dele in het geding gebracht. Verder is niet voldoende duidelijk op welke concrete betalingen OOBB met het genoemde totaalbedrag van € 408.500 doelt. Dat totaalbedrag is bijvoorbeeld niet zonder meer te herleiden tot betalingen die vermeld zijn in het betalingsoverzicht dat is overgelegd als productie 6 bij de inleidende dagvaarding. Voor wat betreft het gestelde persoonlijk profijt merkt het hof op dat de in dat kader door OOBB genoemde productie 67 niet voldoende leesbaar is, en dat – zoals [appellanten] opmerken – niet voldoende duidelijk is waarop dat overzicht dat is overgelegd als productie 64, gebaseerd is. En (ook) in dat verband verwijst OOBB meermalen alleen in algemene zin naar overgelegde stukken, zonder daarbij aan te geven welke producties het betreft en zonder toe te lichten waarom die stukken steun zouden bieden aan haar stellingen. Het hof merkt bij dat alles nog uitdrukkelijk op dat OOBB haar stellingen in dit hoger beroep kennelijk ook mede baseert op producties uit de appelprocedures tegen [de namen] De gedingstukken uit die andere procedures behoren echter niet tot de stukken van deze procedure tegen [appellanten]

4.9. Het hof ziet gelet op het voorgaande aanleiding om OOBB toe te laten tot nadere bewijslevering. Het hof zal OOBB daarbij toelaten om te bewijzen dat en in hoeverre NDS bij OOBB uren en kosten in rekening heeft gebracht die in werkelijkheid niet gemaakt zijn, dat die in rekening gebrachte uren en kosten door OOBB voldaan zijn, dat OOBB verdere betalingen van in totaal € 408.500 aan NDS gedaan heeft waarvoor geen rechtsgrond bestaat, en dat en in welke mate [appellanten] en [de namen] persoonlijk geprofiteerd hebben van de gestelde onttrekkingen aan OOBB. [appellanten] zal vervolgens de gelegenheid krijgen om op een en ander te reageren.

Juridische grondslagen: groepsaansprakelijkheid, onrechtmatige daad

4.10. OOBB baseert haar vordering, zoals vermeld, allereerst op groepsaansprakelijkheid (artikel 6:166 BW). Het hof is voorshands van oordeel dat als de gestelde frauduleuze onttrekkingen komen vast te staan, daarmee nog niet of niet zonder meer gegeven is dat er grond is voor groepsaansprakelijkheid van [appellanten] betogen namelijk dat zij op geen enkele wijze betrokken waren bij de facturatie en bij de financiële administratie van NDS. Zo zou [appellant2] bij NDS feitelijk geen of vrijwel geen werkzaamheden hebben uitgevoerd en zou zij ook niets geweten hebben van het doen en nalaten van NDS. [appellanten] betogen daarmee onder meer, zo begrijpt het hof, dat van een feitelijke of bewuste deelname aan een groep geen sprake was. Het hof zal OOBB gelet daarop ook toelaten tot bewijs van haar stelling dat sprake is geweest van deelname van [appellanten] aan onrechtmatige gedragingen in groepsverband.

4.11. Het hof merkt verder op dat als de door OOBB gestelde fraude komt vast te staan, er daarmee naar haar voorshands oordeel wel grond kan zijn voor individuele aansprakelijkheid van [appellanten] op grond van onrechtmatige daad waarvan hen persoonlijk een ernstig verwijt treft (artikel 6:162 BW). [appellanten] verklaren immers dat zij, hoewel zij bestuurder van NDS waren, zich niet bezighielden met de facturatie en met de financiële administratie van NDS. Volgens [appellanten] hadden zij daar helemaal geen zicht op. [appellanten] verklaren dat [naam1] degene was die zich – soms in overleg met [naam9] , een medewerker van NDS – bezighield met alle (financiële) administratie van NDS. Die betrokkenheid van [naam1] omvatte volgens hen onder meer het vervaardigen van facturen door NDS en het uitvoeren van betalingen door NDS. [naam1] was ook als enige bevoegd om over de rekening van NDS te beschikken, aldus [appellanten] Het hof merkt daarover op dat de zorg voor (of in elk geval toezicht op) een adequate administratie van de rechtspersoon, een van de kerntaken is van het bestuur, en dat het met een goede taakvervulling van het bestuur niet of niet zonder meer te verenigen is dat de administratie en de financiën van de rechtspersoon zonder toezicht of controle uitgevoerd en beheerd worden door een derde. OOBB beperkt haar vordering op dit punt, naar het hof begrijpt, echter niet tot de periode dat [appellanten] statutair bestuurder waren. Dat [appellant2] voordat zij op 15 september 2011 bestuurder werd, al betrokken was bij NDS, is echter gesteld noch gebleken. En dat [appellant1] na zijn terugtreden als bestuurder op 15 september 2011, als (feitelijk) bestuurder van NDS onrechtmatig jegens OOBB gehandeld heeft, kan zonder nadere toelichting en onderbouwing in elk geval niet worden aangenomen. Volgens [appellant1] was hij in die periode immers alleen nog betrokken als medewerker of adviseur, en was hij die hoedanigheid niet verantwoordelijk voor de facturatie en voor de financiën van NDS. Het hof zal OOBB gelet daarop ook in de gelegenheid stellen om onderbouwd toe te lichten in hoeverre haar vordering op grond van onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW), en met name haar schadeclaim, ook ziet op de periode dat [appellanten] geen statutair bestuurder waren van NDS. [appellanten] zullen vervolgens de gelegenheid krijgen om op dat alles te reageren.

Slotsom

4.12. Slotsom is dat OOBB wordt toegelaten tot bewijs van haar stellingen, dit onder meer door het horen van getuigen. [appellanten] zullen de gelegenheid krijgen om op een en ander te reageren. Het hof zal iedere verdere beslissing aanhouden.

4.13. Het hof geeft partijen gelet ook op de mogelijke duur van de verdere procedure, in overweging om opnieuw te bezien – wellicht ook naar aanleiding van de stellingen van [appellanten] in hun akte van 12 mei 2026 over de financiële posities van de betrokkenen en over het voornemen om in geval van een veroordeling regres te nemen – of een minnelijke regeling kan worden bereikt.

5 De beslissing

Het hof:

5.1. laat OOBB toe tot het leveren van bewijs van haar stellingen:

  • dat (en in welke mate) NDS bij OOBB uren en kosten in rekening heeft gebracht die in werkelijkheid niet gemaakt zijn, en dat die uren en kosten aan NDS voldaan zijn;
  • dat OOBB aan NDS verdere betalingen heeft gedaan van in totaal € 408.500 waarvoor geen rechtsgrond bestond;
  • dat (en in welke mate) [appellanten] en [de namen] persoonlijk geprofiteerd hebben van frauduleuze onttrekkingen aan het vermogen van OOBB;
  • dat [appellanten] hebben deelgenomen aan gedragingen in groepsverband (met [de namen] ) bestaande uit het onrechtmatig onttrekken van gelden aan OOBB;

5.2. stelt OOBB in de gelegenheid om zich bij akte uit te laten over de onderwerpen als vermeld in rechtsoverweging 4.11;

5.3. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van dinsdag 6 oktober 2026 voor akte uitlating door OOBB als bedoeld onder 5.2, en voor uitlating door OOBB of zij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel;

5.4. bepaalt dat, als OOBB geen bewijs door het horen van getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, zij die bewijsstukken op dinsdag 6 oktober 2026 direct bij akte in het geding moet brengen;

5.5. bepaalt dat OOBB, als zij getuigen wil doen horen, op de rol van **dinsdag 6 oktober 2026 **laten weten hoeveel getuigen zij wil laten horen met opgave van de verhinderdagen van die getuigen, van partijen en van hun advocaten; daarna stelt het hof de dag en het tijdstip van het verhoor vast, ook als de opgave onvolledig is;

5.6. bepaalt dat als getuigen worden gehoord, raadsheer-commissaris mr. A.A.J. Smelt de getuigen zal verhoren in het Paleis van Justitie aan het Wilhelminaplein 1 in Leeuwarden; partijen moeten daar zelf bij aanwezig zijn;

5.7. bepaalt dat OOBB de namen en woonplaatsen van de getuigen ten minste een week voor het getuigenverhoor aan de wederpartijen en de griffier van het hof opgeven;

5.8. bepaalt dat een partij die tijdens het getuigenverhoor nieuwe stukken wil indienen, het hof en de wederpartij daarvan uiterlijk twee weken voor de dag van de zitting een kopie moet toesturen;

5.9. bepaalt dat [appellanten] gelegenheid krijgen om te reageren op de bewijslevering door OOBB en op de uitlating van OOBB als bedoeld onder 5.2;

5.10. iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.A.J. Smelt, M. Aksu en M.L. Lennarts, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 8 september 2026.

Rb Noord-Nederland, locatie Groningen 8 maart 2023, ECLI:NL:RBNNE:2023:1223 . De memorie van grieven, par. 33, vermeldt kennelijk per abuis dat volgens het als productie 3 bij die memorie overgelegde uittreksel uit het handelsregister, [appellant2] bestuurder was tot 1 oktober 2013. Dit betreft betalingen van in totaal € 3.170.971,00, verminderd met (terug)betalingen door NDS van in totaal € 305.169,00 (zie productie 6 bij de inleidende dagvaarding). De statutaire naam van deze bv is op enig moment gewijzigd in ‘Rendos B.V.’. Zie onder meer HR 20 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4959 . Vgl. onder meer HR 11 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1413 .