Semantius logo
Semantius
Uitspraken
ECLI:NL:GHAMS:2026:2632

ECLI:NL:GHAMS:2026:2632 Gerechtshof Amsterdam , 15-09-2026 / 23-001665-25
Strafrecht

Semantius verrijkingen

Samenvatting

Gerechtshof Amsterdam, parketnummer 23-001665-25 (beroopeN tegen vonnis rechtbank Noord-Holland, 15-002336-25). Arrest van 15 september 2026. Verdachte: [verdachte], geboren 1984, adres vermeld (BA21 5AG). Hoger beroep ingesteld tegen vonnis van 8 juli 2025; advocaat‑generaal vordert bevestiging van dat vonnis.

Feiten en procesverloop

  • Tenlastelegging betreft betrokkenheid bij een massa-aanval op 5 oktober 2023 in het AZ-stadion, gericht tegen een groep Mobiele Eenheid (ME)-leden; uit dossier en beeldmateriaal blijkt buitensporig geweld: ME’ers zijn geschopt en geslagen, beschermende middelen zijn afgepakt en tegen hen gebruikt; meerdere ME-leden vreesden voor hun leven.
  • De rechtbank had immateriële schadevergoeding (smartengeld) toegewezen aan meerdere benadeelde ME-leden en strafrechtelijke beslissingen genomen; verdachte ging in hoger beroep.

Beoordeling door het hof — recht op smartengeld

  • Het hof bevestigt het vonnis waarvan beroep, maar vult de motivering van de toewijzing van de smartengeldvorderingen aan en motiveert waarom aan alle benadeelde partijen een zelfstandig recht op smartengeld toekomt op grond van art. 6:106 sub b BW (vergoeding van immateriële schade indien iemand “op andere wijze in zijn persoon is aangetast”).
  • Het hof past het toetsingskader toe dat het HR-arrest van 2 juni 2026 (ECLI:NL:HR:2026:822) bevestigt: aanspraak op immateriële schade vereist wettelijke grondslag; persoonsaantasting “op andere wijze” kan aan de hand van drie categorieën worden beoordeeld:
    1. geestelijk letsel;
    2. aantasting waarvoor concrete gegevens over de gevolgen nodig zijn (onderbouwing met aard/ernst gevolgen);
    3. uitzonderlijke gevallen waarin de aard en ernst van de normschending dus evident zijn dat concrete gegevens niet hoeven te worden aangevoerd.
  • Het hof oordeelt dat op grond van de uit het strafdossier en beelden blijkende feiten sprake is van categorie 3: de aard en ernst van het geweld en de voor de hand liggende nadelige gevolgen (dreiging, fysieke mishandeling, machteloze toezien op geweld tegen collega’s, verlies van beschermende middelen) rechtvaardigen zonder nadere concrete bewijsvoering de aanneming van aantasting in de persoon voor alle benadeelde ME’ers. Bijgevolg toekent het hof aan ieder van hen smartengeld conform de omvang die de rechtbank eerder had begroot.

Verweer van de verdediging

  • De verdediging stelde dat benadeelden niet-ontvankelijk moeten worden verklaard omdat onduidelijk is welk ME-lid op de beelden overeenkomt met welke vordering; zij toonde kort (vanaf 1:20) camerabeelden waaruit zou blijken dat enkele ME-leden via een deur de corridor verlieten en daarna niet langer door geweld werden geconfronteerd.
  • Het hof overweegt dat het relevante beeldmateriaal iets meer dan twee minuten bestrijkt en dat de vertrekmomenten van sommige ME’ers plaatsvonden nadat en omdat de aanval al ten volle was losgebarsten; kortere individuele blootstelling verandert niets aan de algemene aard en ernst van de normschending. Het partijdebat was evenwichtig gevoerd; nader onderzoek is niet noodzakelijk en de niet‑ontvankelijkheidsverklaring wordt verworpen. Ook bezwaren tegen anonieme vorderingen en groepsaansprakelijkheid brengen het hof niet tot ander oordeel dan de rechtbank.

Voorlopige hechtenis

  • Op 6 januari 2025 had de rechter‑commissaris inbewaringstelling bevolen en bij afzonderlijk bevel voorlopige hechtenis onder voorwaarden geschorst. Het hof heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op en ziet geen gronden voor voortduring van voorlopige hechtenis.

Beslissing

  • Het hof bevestigt het vonnis waarvan beroep met de aanvullende motivering over smartengeld en heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op. Arrest gewezen door meervoudige strafkamer (P.J. van Eekeren, P. Greve, N.E. Kwak) op 15 september 2026.

Soortgelijke uitspraken

ECLI:NL:GHAMS:2025:2663
Strafrecht
06-10-2025 86% soortgelijk
Parketnummer 23-000123-25; arrest gerechtshof Amsterdam van 2 oktober 2025 (hoger beroep tegen vonnis politierechter Alkmaar van 21 januari 2025; eerste aanleg parketnummer 15-171945-23). Verdachte: [verdachte], geboren 2000 (geboorteplaats en exacte geboortedatum in...
ECLI:NL:GHSHE:2025:3736
Strafrecht
29-12-2025 86% soortgelijk
Parketnummer 20-003205-24; arrest van het Gerechtshof ’s‑Hertogenbosch van 30 december 2025 in hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter te Breda van 21 november 2024. Verdachte [naam: [verdachte], geboren 2000], woonachtig...
ECLI:NL:GHDHA:2026:2323
Strafrecht
16-07-2026 86% soortgelijk
Verdict (Gerechtshof Den Haag, 16 juli 2026 — rolnr. 22-004198-24) — samenvatting Partijen en procedure - Verdachte: [verdachte], geboren 1998 in [geboorteplaats] (Eritrea), woonachtig te [woonadres], [woonplaats]. Tegen het vonnis van de...
ECLI:NL:GHAMS:2025:3039
Strafrecht
12-11-2025 86% soortgelijk
Verdict samengevat (Gerechtshof Amsterdam, 12-11-2025; parketnr. 23-002969-22) Partijen - Verdachte: [verdachte], geboren 1998, woonadres [adres]. - Benadeelden: aangeduid als [benadeelde partij 1], [benadeelde partij 2], [benadeelde partij 3] (particulieren) en [benadeelde partij...
ECLI:NL:GHDHA:2025:1980
Strafrecht
24-09-2025 86% soortgelijk
Gerechtshof Den Haag (meervoudige kamer voor strafzaken), rolnr. 22-004142-24, parketnr. 10-304923-24, arrest van 10 september 2025. Tegen verdachte [verdachte] (geb. 1982, adres en geboorteplaats in dossier) die in eerste aanleg bij de...

Tijdslijn

Er is nog door niemand een tijdslijn gegenereerd.
Log in of maak een gratis account om een tijdslijn te kunnen genereren.
Oorsponkelijke uitspraak

Inhoudsindicatie

Openlijke geweldpleging voorafgaand aan voetbalwedstrijd AZ – Legia Warschau op 5 oktober 2023. Voeging van ME-leden als benadeelde partijen onder nummer. Hof bevestigt het vonnis met aanvulling van de motivering van de toewijzing van de immateriële schadevergoedingsvorderingen door de rechtbank (ECLI:RBNHO:2025:7655). Persoonsaantasting ‘op andere wijze’ in die zin dat de aard en de ernst van de normschending van zodanig groot gewicht zijn, en de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde dus zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon zonder meer kan worden aangenomen. Verwijzing naar Hoge Raad 2 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:822 .

Uitspraak

afdeling strafrecht parketnummer: 23-001665-25 datum uitspraak: 15 september 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 8 juli 2025 in de strafzaak onder parketnummer 15-002336-25 tegen

[verdachte] , geboren op [geboortedag] 1984 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ), adres: [adres 1] , BA21 5AG ( [adres 2] ).

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 1 september 2026 en het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

Vonnis waarvan beroep

Het hof ziet in hetgeen door de verdachte en diens raadsman ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd over de persoonlijke omstandigheden van de verdachte geen reden om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank ten aanzien van de aard en de omvang van de opgelegde straf.

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit dus bevestigen met dien verstande dat het hof:

‒ de motivering van de toewijzing van de smartengeldvorderingen van de benadeelde partijen aanvult; ‒ het door de rechter-commissaris op 6 januari 2025 geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheft.

Vorderingen benadeelde partijen

Toetsingskader persoonsaantasting ‘op andere wijze’, niet zijnde geestelijk letsel

Het hof stelt voorop dat – anders dan geldt voor vermogensschade – slechts aanspraak bestaat op vergoeding van immateriële schade (nadeel dat niet in vermogensschade bestaat) voor zover de wet bepaalt dat die schade voor vergoeding in aanmerking komt. Deze wettelijke beperking van het recht op schadevergoeding brengt mee dat als de rechter een vergoeding van immateriële schade toekent, de grondslag daarvoor aandacht verdient (vgl. HR 2 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:822 , r.o. 3.5.2).

Gelet op artikel 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW) ontstaat het recht op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen – onder meer – indien de benadeelde ‘op andere wijze in zijn persoon is aangetast’. Van deze persoonsaantasting ‘op andere wijze’ kan sprake zijn in de volgende gevallen:

  • de benadeelde heeft geestelijk letsel opgelopen (vgl. voornoemd arrest, r.o. 3.5.4);
  • de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde brengen mee dat sprake is van de aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’. In zo’n geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Het gaat dan in het bijzonder om concrete gegevens over de (aard en ernst van de) gevolgen die de normschending voor de benadeelde heeft gehad, omdat de aard en de ernst van de normschending zelf doorgaans kunnen worden vastgesteld aan de hand van uit het strafdossier af te leiden gegevens over het aan de verdachte tenlastegelegde strafbare feit (vgl. voornoemd arrest, r.o. 3.5.5);
  • de aard en de ernst van de normschending zijn van zodanig groot gewicht, en de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde liggen dus zo voor de hand, dat een aantasting in de persoon zonder meer kan worden aangenomen. Deze categorie (hierna: categorie 3) heeft betrekking op uitzonderlijke gevallen waarin ook een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ worden aangenomen zonder dat in rechte is komen vast te staan welke concrete gevolgen de benadeelde heeft ondervonden van de normschending. Van de benadeelde partij wordt dan niet verlangd dat zij concrete gegevens aanvoert over de gevolgen die de normschending voor haar heeft gehad (vgl. voornoemd arrest, r.o. 3.5.6).

Toepassing categorie 3)

Het hof overweegt als volgt. Aan de hand van uit het strafdossier af te leiden gegevens over het aan de verdachte tenlastegelegde strafbare feit stelt het hof het volgende vast over de aard en de ernst van de normschending.

De benadeelde partijen hebben aangevoerd dat zij allen deel uitmaakten van de groep ME-leden tegen wie op 5 oktober 2023 in het stadion fors geweld is gebruikt. Uit het dossier en de beelden die daartoe behoren, blijkt dat dat geweld buitensporig is geweest. ME-leden zijn in elkaar geschopt en geslagen door een menigte die veel groter was dan de groep ME-leden. De ME-leden zijn in het nauw gedreven en werden ermee geconfronteerd dat de middelen die hen bescherming zouden moeten bieden, werden afgepakt en werden gebruikt in het geweld tegen hen. De benadeelde partijen geven allen aan de situatie als zeer bedreigend en beangstigend te hebben ervaren en meerdere ME-leden hebben gevreesd voor hun leven.

Het hof neemt bovendien in aanmerking dat de benadeelde partijen niet als privépersoon, maar in een publieke functie vanuit hun hoedanigheid van ME’ers optraden, waarbij zij deel uitmaakten van een hechte groep. In de hiervoor beschreven situatie moesten zij, naast het zelf ervaren van de hiervoor omschreven impact op hun lijf en leden en/of hun geest, bovendien machteloos toezien dat het geweld zich richtte op hun naaste collega’s, zonder dat zij zelf iets daartegen konden doen. Dit maakt de normschending jegens ieder van hen des te ernstiger.

Op grond hiervan is het hof van oordeel dat voor alle benadeelde partijen de uitzonderlijke situatie als benoemd in categorie 3) zich voordoet, waarbij de aard en de ernst van de normschending van zodanig groot gewicht zijn, en de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde dus zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon zonder meer kan worden aangenomen, dus zonder dat de benadeelde partij concrete gegevens behoeft aan te voeren over de gevolgen die de normschending voor haar heeft gehad.

Concluderend hebben op basis hiervan alle benadeelde partijen ieder een zelfstandige aanspraak op smartengeld wegens ‘aantasting in de persoon op andere wijze’ volgens art. 6:106 sub b BW.

Het in hoger beroep gevoerde verweer

De verdediging heeft onder meer aangevoerd dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk zijn in hun vordering, omdat het voor de verdediging onmogelijk is om vast te stellen welk ME-lid op de camerabeelden welke vordering benadeelde partij heeft ingediend. De raadsman heeft ter ondersteuning van dit standpunt op de zitting in hoger beroep gedurende 1 minuut (vanaf minuut 1:20) beeldmateriaal uit de camerabeelden getoond. Op die beelden is, aldus de raadsman te zien dat een aantal ME-leden vanaf minuut 1:20 de zogenaamde corridor/tussenruimte in het AZ-stadion via een deur verlaat en daarna niet meer geconfronteerd wordt met gewelddadigheden. Voor die ME-leden betwist de verdediging, naar het hof begrijpt, dat sprake is van ‘persoonsaantasting’, met name ‘persoonsaantasting niet zijnde geestelijk letsel’ en/of schade, zoals door de rechtbank is aangenomen. Op basis van het dossier kan de verdediging echter niet vaststellen wie van de benadeelde partijen tot deze groep behoort. Om dit vast te kunnen stellen is nader onderzoek nodig.

Het hof begrijpt dit verweer aldus dat de verdediging zich belemmerd acht in het voeren van verweer, dat er dus geen sprake is geweest van een evenwichtig partijdebat, dat daartoe nader onderzoek nodig is en dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in hun vorderingen tot schadevergoeding, omdat dit nadere onderzoek een onevenredige belasting van het strafgeding als bedoeld in artikel 361 lid 3 van het wetboek van strafvordering (hierna Sv) oplevert.

Het hof overweegt dat het overgelegde beeldmateriaal in totaal iets meer dan twee minuten beslaat. Vanaf de aanvang is te zien dat de totale groep ME’ers die in de zogenaamde corridor/tussenruimte in het AZ-stadion staat opgesteld, van alle kanten wordt aangevallen door een veel grotere groep hooligans waaronder de verdachte. Een aantal ME-leden ziet vanaf minuut 1.20 kans om de centrale ruimte te verlaten via een deur naar een belendende ruimte. Daardoor komen zij buiten de gevechtslinie en worden zij dus niet langer zelf fysiek blootgesteld aan de aanval, anders dan hun collega’s die in de corridor/tussenruimte blijven en tegen wie de aanval zich verder voltrekt tot minuut 2:09. Dit eerdere vertrek van deze ME-leden vond dus plaats nadat en omdat de aanval al ten volle was losgebarsten tegen de totale groep ME’ers, dus inclusief deze ME-leden.

Het enkele feit dat zij alsdan zélf als individu iets korter aangevallen zijn dan de overige ME-leden doet aan de aard en ernst van de normschending in de gegeven situatie, zoals door de rechtbank is vastgesteld en hiervoor aanvullend door het hof is gemotiveerd, niet af. Uit het voorgaande volgt tevens dat beide partijen genoegzaam de mogelijkheid hebben gehad tot het stellen en betwisten van de vorderingen en dat het partijdebat evenwichtig is gevoerd, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep. Het hof acht in de gegeven omstandigheden ook overigens nader onderzoek niet noodzakelijk ter beoordeling van de vorderingen. Aan de door de verdediging voorgestane niet-ontvankelijk verklaring wordt daarom niet toegekomen.

Het verweer wordt verworpen.

In hetgeen verder door de raadsman naar voren is gebracht ten aanzien van de anonieme vorderingen en de groepsaansprakelijkheid ziet het hof geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank.

Conclusie

Het hof is op grond van het voorgaande ten aanzien van alle benadeelde partijen met de rechtbank van oordeel dat de gestelde immateriële schade op grond van artikel 6:106 sub b BW als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde voor vergoeding naar billijkheid in aanmerking komt, met een omvang als door de rechtbank is begroot.

Voorlopige hechtenis

Op 6 januari 2025 heeft de rechter-commissaris de inbewaringstelling van de verdachte bevolen en bij afzonderlijk bevel deze voorlopige hechtenis onder voorwaarden geschorst. Het hof zal het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen. Het hof ziet geen gronden voor voortduring van de voorlopige hechtenis.

BESLISSING

Het hof:

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P.J. van Eekeren, mr. P. Greve en mr. N.E. Kwak, in tegenwoordigheid van mr. M. Gest, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 15 september 2026.