ECLI:NL:GHAMS:2026:2631 Gerechtshof Amsterdam , 08-09-2026 / 200.368.167/01
Samenvatting
Gerechtshof Amsterdam (meervoudige kamer, Team III) heeft op 8 september 2026 uitspraak gedaan in het hoger beroep van [de moeder] tegen een beschikking van de kinderrechter van 29 januari 2026 (schriftelijke uitwerking 5 februari 2026). Partijen: verzoekster in hoger beroep [de moeder] (adv. mr. J. Veltheer), verweerster gecertificeerde instelling (GI) William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, belanghebbenden: de minderjarigen [minderjarige 2] (2016) en [minderjarige 1] (2018) en de vader van [minderjarige 1] ([de vader]). De Raad voor de Kinderbescherming trad op als adviserende instantie. Zitting vond plaats op 14 juli 2026; de vader was niet verschenen.
Geschil en procedure: het ging om de verlenging van een machtiging tot uithuisplaatsing voor verblijf in een gezinshuis/pleeggezin (ingang 3 februari 2026, verlenging één jaar tot 3 februari 2027). De moeder bestreed deze verlenging en verzocht vernietiging of in ieder geval beperking van duur/omvang. De GI verzoekt bekrachtiging.
Feiten en dossier: langdurige hulpverlening sinds 2022 (GGD, buurtteam, Leger des Heils), meldingen bij Veilig Thuis vanaf juli 2024 wegens zorgen over opvoeding, leerbaarheid moeder en hoog schoolverzuim. In augustus 2024 verhuis naar noodopvang (HVO-Querido) met aanhoudende meldingen (niet op tijd naar school brengen, onvoldoende toezicht, slechte voeding). In september-oktober 2024 en daarna meerdere meldingen. Sinds maart 2025 wonen moeder en kinderen in een woning van Philadelphia; ook daar meldingen, waaronder fysiek en verbaal agressief gedrag van de moeder. Hulpverlening (Family First, Come On! Hulpverlening) bood beperkte verbetering; Family First beëindigde inzet wegens onveilige situatie. Onderzoek juli 2024 toonde LVB-niveau (IQ circa 60). [minderjarige 2] had sociaal-emotionele problemen en parentificatie; [minderjarige 1] had taal- en ontwikkelingsachterstanden en een aangeboren hartafwijking (medische follow-up en geplande operatie oktober 2026; gestart in speciaal onderwijs per 12 jan 2026).
Beoordeling door het hof (juridische kaders): het hof weegt artikel 1:265b en 1:265c BW (machtiging tot uithuisplaatsing en verlenging) en overweegt dat de GI de machtiging kon vragen en de rechter deze kon verlengen indien noodzakelijk voor verzorging/opvoeding. Het hof oordeelt dat de vader van [minderjarige 1] als belanghebbende moet worden aangemerkt omdat de machtiging ook verblijf bij de vader omvatte.
Essentieel procesrechtelijk feit: de door de kinderrechter verlengde machtiging is feitelijk niet ten uitvoer gelegd omdat geen passende gezamenlijke plaatsing voor beide kinderen beschikbaar was; weekendverblijven bij de vader of buurtgezin zijn met instemming van de moeder en geen uitvoering van de machtiging. Conform artikel 1:265c lid 3 BW vervalt een machtiging die na drie maanden niet is geëffectueerd; de machtiging is daarom met ingang van 3 mei 2026 vervallen.
Toch moest het hof beoordelen of de machtiging ten tijde van de bestreden beschikking terecht was gegeven. Het volgt daarbij de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2022:395) en benadrukt dat ook een niet-geëffectueerde machtiging een inbreuk op artikel 8 EVRM kan betekenen en daarom toetsbaar blijft.
Merits: het hof constateert uit dossier en zitting dat ondanks jarenlange en intensieve vrijwillige en gedwongen hulpverlening de moeder door haar cognitieve beperkingen (LVB), beperkte netwerk, wisselend/onvoorspelbaar gedrag, onvermogen om adviezen vast te houden en incidenten (december 2025 bijna duwen van een hulpverlener, verbaal grensoverschrijdend gedrag) onvoldoende in staat bleek structurele en voorspelbare verzorging en opvoeding te bieden. De ontwikkeling van beide kinderen, het hoge schoolverzuim, parentificatie bij [minderjarige 2], ontwikkelings- en medische zorgbehoefte van [minderjarige 1] vormden een aanhoudende ontwikkelingsbedreiging. Minder ingrijpende maatregelen hadden op termijn niet het gewenste effect geboden; uithuisplaatsing was als ultimum remedium gerechtvaardigd.
Conclusies en dispositief: het hof bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan zijn oordeel onderworpen (dus: de motivering en rechtmatigheid van de verlengingsbeslissing ten tijde van die beschikking). Tegelijk stelt het hof vast dat de machtiging niet is geëffectueerd en derhalve op grond van artikel 1:265c lid 3 BW op 3 mei 2026 is komen te vervallen. Het subsidiaire verzoek van de moeder tot beperking van duur wordt niet behandeld wegens verval van de machtiging. Proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd (iedere partij draagt eigen kosten). Verzoeken van de moeder worden afgewezen.
Samengevat: hoewel de machtiging door de GI niet is uitgevoerd en daardoor is vervallen per 3 mei 2026, oordeelt het hof dat de verlenging van de machtiging op het moment van de bestreden beschikking wettelijk en feitelijk gerechtvaardigd was wegens aanhoudende ernstige ontwikkelings- en veiligheidszorgen rond de kinderen en de beperkte draagkracht van de moeder.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
Machtiging tot uithuisplaatsing is komen te vervallen omdat deze niet is geëffectueerd. Moeder rechtens relevant belang om in hoger beroep te laten beoordelen of de machtiging terecht is gegeven. Het hof is van oordeel dat de zorgen over de ontwikkeling en veiligheid van de minderjarigen ten tijde van de bestreden beschikking onverminderd aanwezig waren. Artikel: 798 lid 1 Rv, 1:265b lid 1 BW, 1:265c lid 2 en 3 BW, 8 EVRM.
Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
Afdeling civiel recht en belastingrecht Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.368.167/01 zaaknummer rechtbank: C/13/781576 / JE RK 26/28 ( [minderjarige 1] ) en C/13/781579 / JE RK 26/29 ( [minderjarige 2] )
beschikking van de meervoudige kamer van 8 september 2026 in de zaak van
wonende te [plaats A] , verzoekster in hoger beroep, hierna: de moeder, advocaat: mr. J. Veltheer te Amsterdam,
en
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
gevestigd te [plaats A] , verweerster in hoger beroep, hierna: de GI.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] ), geboren [in] 2016;
- de minderjarige [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] ), geboren [in] 2018; hierna gezamenlijk te noemen: de kinderen,
- [de vader] , de vader van [minderjarige 1] , zonder bekende woon- of verblijfplaats.
In de procedure heeft een adviserende taak: de Raad voor de Kinderbescherming, gevestigd te Den Haag, locatie Amsterdam, hierna: de raad.
1 De zaak in het kort
1.1 De zaak gaat over de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen. De kinderrechter heeft de machtiging tot uithuisplaatsing voor verblijf in een gezinshuis, dan wel een pleeggezin, met ingang van 3 februari 2026 verlengd voor de duur van één jaar, tot 3 februari 2027.
1.2 De moeder is het daar niet mee eens en vindt dat de machtiging tot uithuisplaatsing niet verlengd moet worden, dan wel voor kortere duur. De GI is het wel eens met de bestreden beschikking.
2 De procedure in hoger beroep
2.1 De moeder is op 29 april 2026 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 29 januari 2026, schriftelijk uitgewerkt op 5 februari 2026 (hierna: de bestreden beschikking), van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kinderrechter).
2.2 Het hof heeft [minderjarige 2] de gelegenheid gegeven om te laten weten wat zij van de zaak vindt. Zij heeft daar geen gebruik van gemaakt.
2.3 De zitting heeft op 14 juli 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat en door E. Kram, een tolk in de Slowaakse taal. Voor de moeder was tevens aanwezig [naam] , haar begeleidster van Come On! Hulpverlening;
- twee vertegenwoordigers van de GI;
- de raad, vertegenwoordigd door V.D. Aelbers. De vader van [minderjarige 1] is, ondanks behoorlijk te zijn opgeroepen via de Staatscourant, niet ter zitting verschenen.
3 De feiten
3.1 De moeder heeft twee kinderen, namelijk:
- [minderjarige 2] , geboren [in] 2016 in [plaats B] , en
- [minderjarige 1] , geboren [in] 2018 in [plaats C] . De moeder is belast met het eenhoofdig gezag over de kinderen.
3.2 De vader van [minderjarige 1] is [de vader] , geboren [in] 1992 te [plaats D] . Zijn laatste bekende woonplaats is [plaats E] .
3.3 Bij beschikking van 3 februari 2025 zijn de kinderen door de kinderrechter onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van één jaar, tot 3 februari 2026.
3.4 Bij beschikking van 24 september 2025 is een machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen verleend voor verblijf in een gezinshuis / een pleegzorgvoorziening, en voor [minderjarige 1] ook voor verblijf bij de vader, met ingang van 24 september 2025 tot 3 februari 2026. Bij beschikking van 29 januari 2026 is, voor zover niet in hoger beroep bestreden, de ondertoezichtstelling van de kinderen verlengd tot 3 februari 2027.
4 De omvang van het hoger beroep
4.1 De kinderrechter heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, op verzoek van de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen voor verblijf in een gezinshuis, dan wel een pleeggezin, met ingang van 3 februari 2026 verlengd voor de duur van één jaar, tot 3 februari 2027.
4.2 De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking (in zoverre), het inleidende verzoek van de GI tot (verlenging van de) machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen alsnog af te wijzen. Subsidiair, indien het hof van oordeel is dat de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is, verzoekt de moeder de machtiging in duur, omvang en modaliteit zodanig te beperken als het hof in het belang van de kinderen juist acht. Kosten rechtens.
4.3 De GI verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.
5 De motivering van de beslissing
5.1 Het hof is van oordeel dat de vader van [minderjarige 1] als belanghebbende in de zin van artikel 798 lid 1 van het Wetboek van Rechtsvordering (Rv) moet worden aangemerkt. Uit de bestreden beschikking volgt dat de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing ten aanzien van [minderjarige 1] niet alleen heeft verleend voor verblijf in een gezinshuis of pleeggezin, maar ook voor verblijf bij de vader. De onderhavige procedure kan daarom rechtstreeks gevolgen hebben voor de positie van de vader en zijn mogelijkheden om de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] op zich te nemen. De vader heeft daarom een rechtstreeks belang bij deze procedure en is daarom in hoger beroep als belanghebbende aangemerkt.
5.2 De moeder berust in de ondertoezichtstelling, maar stelt dat de noodzaak van de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen onvoldoende concreet door de kinderrechter is gemotiveerd. De kinderrechter en de GI hebben niet inzichtelijk gemaakt welke concrete gedragingen van de moeder of welke feitelijke situaties maken dat de kinderen niet bij de moeder kunnen blijven wonen. De moeder beschikt over stabiele huisvesting, zij werkt mee aan de hulpverlening en is bereid haar opvoedvaardigheden te verbeteren. De moeder wil alles doen voor de kinderen, maar haar wordt niet duidelijk gemaakt waar de verbeterpunten voor haar liggen. Bovendien is onvoldoende onderzocht of met minder ingrijpende maatregelen, zoals hulpverlening in de thuissituatie, kan worden volstaan. Ook had de situatie van beide kinderen afzonderlijk moeten worden beoordeeld. [minderjarige 2] verblijft grotendeels bij de moeder en gaat alleen in het weekend – wanneer zij dat wil – naar een buurtgezin. [minderjarige 1] is vanwege zijn aangeboren hartafwijking gebaat bij de dagelijkse verzorging door de moeder. De machtiging tot uithuisplaatsing is daarmee niet proportioneel, noch in het belang van de kinderen. Verder heeft de moeder ter zitting in hoger beroep aangegeven dat het op dit moment goed gaat met [minderjarige 2] . [minderjarige 1] wordt binnenkort nader medisch onderzocht en in oktober 2026 wordt hij geopereerd vanwege zijn aangeboren hartafwijking. [minderjarige 1] verblijft regelmatig bij zijn vader. De communicatie tussen de moeder en de vader van [minderjarige 1] verloopt goed.
5.3 De GI voert het volgende verweer. Ten tijde van de bestreden beschikking was sprake van een zodanige ernstige ontwikkelingsbedreiging van de kinderen dat de uithuisplaatsing noodzakelijk was. De moeder is, ondanks de geboden intensieve ondersteuning, onvoldoende in staat gebleken de kinderen de benodigde opvoeding en verzorging te bieden. Ter zitting in hoger beroep heeft de GI toegelicht dat de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen feitelijk niet ten uitvoer is gelegd, omdat geen passende gezamenlijke pleeg- of gezinshuisplaatsing voor beide kinderen beschikbaar was. De kinderen hebben een andere zorgvraag, wat het vinden van een geschikte plek voor beide kinderen samen moeilijker maakt. [minderjarige 2] woont nog bij de moeder en gaat in het weekend naar een buurtgezin. Ook [minderjarige 1] woont bij de moeder en logeert met enige regelmaat in het weekend bij zijn vader, met instemming van de moeder. Volgens de GI betekent dit dat geen uitvoering wordt gegeven aan de machtiging tot uithuisplaatsing. Dit betekent dat de door de kinderrechter afgegeven machtiging is vervallen en dat, zodra een passende gezamenlijke plaatsing beschikbaar is, opnieuw een machtiging tot uithuisplaatsing door de GI bij de kinderrechter zal worden verzocht. Dat de machtiging niet is geëffectueerd, betekent echter niet dat de kinderrechter destijds ten onrechte heeft beslist tot verlenging van de machtiging.
5.4 De raad heeft ter zitting in hoger beroep het volgende verklaard. De machtiging tot uithuisplaatsing is ten tijde van de bestreden beschikking, op grond van de toen beschikbare informatie, op goede gronden verleend. De raad heeft echter onvoldoende actuele informatie om een advies te kunnen uitbrengen over de vraag of een uithuisplaatsing van de kinderen op dit moment nog noodzakelijk is. Daarbij acht de raad van belang dat de machtiging niet ten uitvoer is gelegd, de kinderen nog bij de moeder verblijven en onvoldoende duidelijk is hoe de situatie zich het afgelopen halfjaar heeft ontwikkeld en welke hulpverlening momenteel wordt ingezet. Indien de GI een uithuisplaatsing van de kinderen nog steeds noodzakelijk acht, zal het verzoek daartoe bij de rechtbank moeten worden beoordeeld aan de hand van de dan actuele omstandigheden.
5.5 Uit artikel 1:265b, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de kinderrechter de gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek kan machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Uit artikel 1:265c, tweede lid, BW volgt dat de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling de duur van de machtiging telkens met een jaar kan verlengen.
5.6 Het hof stelt vast dat de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen niet ten uitvoer is gelegd. De GI heeft ter zitting toegelicht dat de beoogde plaatsing van de kinderen in een gezinshuis, dan wel een pleeggezin, niet tot stand is gekomen omdat geen passende gezamenlijke plek voor de kinderen is gevonden. De omstandigheid dat [minderjarige 1] regelmatig in het weekend bij de vader logeert en [minderjarige 2] incidenteel in het weekend in een buurtgezin verblijft, maakt dit niet anders. Deze verblijven vinden namelijk plaats met instemming van de moeder en zijn, zoals de GI ter zitting heeft bevestigd, niet aan te merken als uitvoering van de verleende machtiging tot uithuisplaatsing. Een machtiging tot uithuisplaatsing vervalt op grond van artikel 1:265c lid 3 BW indien deze na verloop van drie maanden niet ten uitvoer is gelegd. Het hof constateert dan ook dat de machtiging, door de kinderrechter met ingang van 3 februari 2026 verlengd, niet is geëffectueerd en daarom met ingang van 3 mei 2026 is vervallen.
5.7 De moeder behoudt, ondanks het vervallen van de machtiging, een rechtens relevant belang bij een beoordeling van de rechtmatigheid van de machtiging. Uit de uitspraak van de Hoge Raad van 18 maart 2022 ( ECLI:NL:HR:2022:395 ) volgt dat als blijkt dat de machtiging tot uithuisplaatsing niet binnen de in artikel 1:265c lid 3 BW genoemde termijn ten uitvoer is gelegd en daardoor ten tijde van de uitspraak in hoger beroep is komen te vervallen, het hof aan de hand van de aangevoerde grieven dient te beoordelen of de machtiging tot uithuisplaatsing terecht is gegeven. De machtiging tot uithuisplaatsing vormt namelijk een inmenging in het door artikel 8 EVRM gewaarborgde recht op eerbiediging van het gezinsleven, ook als die machtiging niet ten uitvoer wordt gelegd. Het is immers aannemelijk dat alleen al de in die machtiging besloten liggende dreiging van uithuisplaatsing het gezinsleven verstoort. De ouder heeft daarom ook in dat geval een rechtens relevant belang om in hoger beroep te laten beoordelen of de machtiging terecht is gegeven. Daarvoor zijn geen bijkomende omstandigheden vereist. Nu de machtiging inmiddels is vervallen ligt in hoger beroep uitsluitend de vraag voor of de machtiging ten tijde van de bestreden beschikking terecht is verleend en niet of de gronden voor de machtiging op dit moment nog aanwezig zijn.
5.8 Het hof overweegt dat uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting het volgende is gebleken. Er is al geruime tijd hulpverlening betrokken bij het gezin. Vanaf september 2022 verleende de GGD ondersteuning aan het gezin en zijn verschillende vormen van vrijwillige hulpverlening ingezet. De GGD heeft eerst het buurtteam ingezet, daarna Tien voor Toekomst van het Leger des Heils. Op 11 juli 2024 heeft Tien voor Toekomst een melding gedaan bij Veilig Thuis vanwege zorgen over de thuis- en opvoedsituatie van de kinderen bij de moeder. Tien voor Toekomst had daarbij onder meer zorgen over de leerbaarheid en het leervermogen van de moeder. In augustus 2024 is de moeder met de kinderen verhuisd naar de noodopvanglocatie van HVO-Querido (hierna: HVO ). Ook daar bleven zorgen bestaan. In september en oktober 2024 heeft HVO meerdere meldingen gedaan bij Veilig Thuis omdat het de moeder onvoldoende lukte om de kinderen op tijd naar school te brengen, te voorzien van gezonde maaltijden en zij onvoldoende toezicht hield door de kinderen alleen thuis te laten. Er was sprake van hoog schoolverzuim en de leerplichtambtenaar is betrokken geraakt. In oktober 2024 heeft Veilig Thuis met de betrokkenen veiligheidsafspraken gemaakt. Op 14 november 2024 is vervolgens een melding van Veilig Thuis bij de raad binnengekomen omdat de zorgen over de ontwikkeling van de kinderen en de opvoedsituatie bij de moeder, ondanks de ingezette vrijwillige hulpverlening, onvoldoende waren verminderd. In december 2024 heeft HVO aangegeven dat de moeder en de kinderen een woonplek nodig hadden met meer beschikbare intensieve begeleiding, zoals 24-uurstoezicht. Sinds maart 2025 woont de moeder met de kinderen in een woning van Philadelphia . Ook vanuit Philadelphia zijn vervolgens meerdere meldingen gedaan bij Veilig Thuis vanwege onder meer fysieke en verbale agressie van de moeder richting de kinderen. Bij beschikking van 3 februari 2025 zijn de kinderen door de kinderrechter onder toezicht gesteld van de GI. Door de GI is verschillende hulpverlening ingezet. Zo zijn veiligheidsafspraken met de moeder gemaakt en is onder meer Family First ingezet. De inzet van Family First is echter vroegtijdig gestopt omdat zij de veiligheid van de kinderen niet langer konden garanderen. Ook is Come On! Hulpverlening ingezet omdat de zorg vanuit Philadelphia onvoldoende toereikend werd geacht om de zorgen weg te nemen. De moeder had geen vertrouwen in Philadelphia en liet geen medewerkers binnen in de woning.
5.9 De zorgen ten aanzien van de kinderen betroffen met name het ontbreken van voldoende structuur, voorspelbaarheid en continuïteit in hun dagelijks leven. Er waren zorgen over de schoolgang en de ontwikkeling van de kinderen, waaronder het hoge schoolverzuim en de leer- en ontwikkelingsachterstanden van de kinderen die daardoor waren ontstaan. Verder bleek de moeder onvoldoende in staat om duidelijke en consequente grenzen te stellen waardoor de kinderen niet altijd naar haar luisterden. Ten aanzien van [minderjarige 2] waren er vanuit Philadelphia en de buitenschoolse opvang zorgen over haar sociaal-emotionele ontwikkeling. Er waren signalen dat zij de taken van de moeder overnam en een (te) zorgende rol richting [minderjarige 1] op zich nam. Daarmee leek sprake te zijn van parentificatie. Ook leek [minderjarige 2] moeite te hebben met het reguleren van haar emoties en was er sprake van internaliserende problematiek. Ten aanzien van [minderjarige 1] bestonden zorgen over zijn taal- en ontwikkelingsachterstand. [minderjarige 1] is vanaf 12 januari 2026 gestart op het speciaal onderwijs omdat hij niet kon meekomen binnen het reguliere onderwijs. Daarnaast vraagt zijn medische situatie, een aangeboren hartafwijking, om extra aandacht en betrokkenheid van zijn direct betrokken omgeving.
5.10 Het hof is gebleken dat de moeder, ondanks de intensieve ondersteuning die haar is geboden, onvoldoende in staat was om de opvoeding en verzorging van de kinderen op toereikende wijze vorm te geven. De hulpverlening zag slechts beperkte verbetering in de situatie. Het lukt de moeder onvoldoende om de vanuit de hulpverlening aangeboden adviezen en handvatten in de praktijk toe te passen en vast te houden. Haar cognitieve beperkingen en beperkte taalbeheersing vormen daarbij complicerende factoren. Uit onderzoek in juli 2024 is gebleken dat de moeder functioneert op LVB-niveau (IQ 60), hetgeen haar leerbaarheid beperkt. Daarbij komt dat de moeder over een gering netwerk beschikt. Zij heeft behalve één broer, die vanwege zijn ziekte de moeder beperkt kan ondersteunen, geen familie in Nederland wonen. Hoewel [minderjarige 1] regelmatig in het weekend bij zijn vader verblijft en dit de moeder enige verlichting geeft, is niet gebleken dat de vader haar structureel meer kan ondersteunen in de opvoeding. Daarnaast bleek de moeder wisselend en onvoorspelbaar in haar gedrag richting de kinderen en de hulpverlening. Ook gaf zij aan bepaalde zorgaanbieders, zoals Philadelphia , niet te vertrouwen waardoor de hulpverlening niet van de grond kwam. In december 2025 heeft een incident plaatsgevonden waarbij de moeder een medewerker van Come On! Hulpverlening bijna heeft geduwd en verbaal grensoverschrijdend gedrag liet zien. Ook lukte het de moeder onvoldoende om aan te sluiten bij de verschillende zorg- en ontwikkelingsbehoeften van de kinderen. De kinderen hebben ieder een eigen benadering nodig, bij [minderjarige 1] vanwege zijn medische situatie en zijn LVB, en bij [minderjarige 2] mede vanwege haar neiging om de ouderrol op zich te nemen.
5.11 Daarbij is van belang dat de beperkingen van de moeder niet maken dat sprake is van onwil van haar zijde. Het hof ziet, net zoals de kinderrechter, vooral onmacht bij de moeder om aan te sluiten bij wat de kinderen nodig hebben. De betrokken hulpverlening signaleerde dat de moeder binnen haar mogelijkheden haar best doet en graag zelf voor de kinderen wil zorgen. Zo heeft Tien voor Toekomst aangegeven dat de moeder goed in staat is om leuke dingen met de kinderen te ondernemen. Het is duidelijk dat de moeder veel van de kinderen houdt en dat de kinderen een sterke band met haar hebben. Ook is de moeder nauw betrokken bij de medische afspraken van [minderjarige 1] .
5.12 Het hof volgt de moeder niet in haar stelling dat er met minder ingrijpende maatregelen, zoals een ondertoezichtstelling en/of ambulante hulpverlening, kon worden volstaan. Zoals hiervoor is weergegeven zijn gedurende een periode van meerdere jaren verschillende vormen van vrijwillige hulpverlening en minder ingrijpende kinderbeschermingsmaatregelen ingezet, maar is gebleken dat deze onvoldoende effect hebben gehad. De uithuisplaatsing vormde daarmee een ultimum remedium en was noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding van de kinderen.
5.13 Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de zorgen over de ontwikkeling en de veiligheid van de kinderen ten tijde van de bestreden beschikking onverminderd aanwezig waren. De moeder heeft weliswaar binnen haar mogelijkheden positieve stappen gezet en zich ingespannen om de (opvoed)situatie te verbeteren, maar dit heeft onvoldoende geleid tot een stabiele opvoedsituatie voor de kinderen. Het hof is van oordeel dat ten tijde van de bestreden beschikking werd voldaan aan de wettelijke vereisten van artikel 1:265b BW, zodat grond bestond voor verlenging van de machtiging op grond van artikel 1:265c lid 2 BW. Het subsidiaire verzoek om de duur van de machtiging te beperken kan onbesproken blijven, nu de machtiging van rechtswege is komen te vervallen. Dit leidt tot de slotsom dat het hof de verzoeken van de moeder afwijst en de bestreden beschikking bekrachtigt, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.
5.14 Het hof ziet geen aanleiding om de GI te veroordelen in de proceskosten. De aard van de procedure en de omstandigheid dat de GI als gecertificeerde instelling vanuit haar wettelijke taak bij de procedure betrokken is, geven aanleiding de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
6 De beslissing
Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam van 29 januari 2026, schriftelijk uitgewerkt op 5 februari 2026, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen,
verstaat dat de bij de bestreden beschikking verleende machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen, nu deze niet ten uitvoer is gelegd, met ingang van 3 mei 2026 is komen te vervallen,
compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. P.F.E. Geerlings, mr. J.M. van Baardewijk en mr. D.H. Steenmetser-Bakker, in tegenwoordigheid van mr. F. de Jongh als griffier en is op 8 september 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.