ECLI:NL:GHAMS:2026:2554 Gerechtshof Amsterdam , 08-09-2026 / 200.369.613/01 en 200.369.616/01
Samenvatting
Het Gerechtshof Amsterdam (Afdeling civiel recht en belastingrecht, Team III familie- en jeugdrecht; zittend mrs. J.M.C. Louwinger‑Rijk, J.M. van Baardewijk en M. Perfors; griffier mr. V.A.M. Willemsen) heeft bij beschikking van 8 september 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep door [de vrouw] (verzoekster in hoger beroep, advocaat mr. T. Esen te Zaandam) tegen de beschikking van de rechtbank Noord‑Holland, locatie Alkmaar van 2 maart 2026, waarin de echtscheiding tussen haar en [de man] (verweerder in hoger beroep, advocaat mr. M.L. Molenaar te Noord‑Scharwoude) was uitgesproken. Partijen zijn in 2018 in [plaats B], Filipijnen gehuwd; de man is Nederlands, de vrouw Filipijns.
Verloop procedure: de vrouw sprak hoger beroep in op 30 mei 2026; de man diende een verweerschrift in op 19 augustus 2026. Het hof ontving verder meerdere schriftelijke berichten van partijen. De vrouw verzocht aanvankelijk om een mondelinge behandeling maar zag daar later vanaf en verzocht schriftelijke beslissing. Het hof stelde zich beperk tot de vraag van de echtscheiding; overige kwesties (huurrecht van de echtelijke woning, partneralimentatie en de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap; zaaknrs. 200.369.613/01 en 200.369.616/01) hield het pro forma aan tot 1 oktober 2026 voor bepaling van een nadere mondelinge behandeling.
Standpunten: de vrouw verzoekt primair vernietiging van de scheidingsbeschikking en afwijzing van het verzoek tot echtscheiding of subsidiair aanwijzing dat zij huurder is van de woning aan [A‑straat] te [plaats A], een vertrektermijn van ten minste zes maanden, partneralimentatie van €253 per maand (of ander door het hof te bepalen bedrag) vanaf inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, afgifte van financiële stukken door de man, een verdelingswijze voor de inboedel (dobbelsteenkeuze) en compensatie van proceskosten. De man verzocht om niet‑ontvankelijkheid van het hoger beroep of bekrachtiging van de bestreden beschikking, met veroordeling van de vrouw in de proceskosten; hij is zelf niet tegen de echtscheiding.
Rechtsvraag en motivering: het hof bevestigt bevoegdheid van de Nederlandse rechter en toepasselijkheid van Nederlands recht. Toetsing vindt plaats op grond van art. 1:151 BW: echtscheiding vereist duurzame ontwrichting (voortzetting van de samenleving is ondraaglijk en er is geen uitzicht op herstel). Het hof sluit aan bij vaste rechtspraak dat de ondubbelzinnige en volgehouden stelling van een echtgenoot dat hij niet langer met de ander kan samenleven een zeer ernstige aanwijzing is voor duurzame ontwrichting en doorgaans beslissend is.
Beoordeling feiten: de man heeft herhaaldelijk en ondubbelzinnig verklaard dat hij definitief wil scheiden en geen uitzicht ziet op herstel; partijen hebben al geruime tijd geen intimiteit en communiceren nauwelijks. De vrouw voerde dat zij nog onder één dak wonen en dat de man door een derde is beïnvloed, maar zij heeft die stelling onvoldoende onderbouwd. Het hof overweegt dat samenwonen op zichzelf niet uitsluit dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. Gelet op de volharding en de aard van de verklaringen van de man kwam het hof tot de conclusie dat de rechtbank terecht van duurzame ontwrichting heeft geoordeeld.
Beslissing: het hof bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover die de echtscheiding betreft. De overige verzoeken omtrent huurrecht, partneralimentatie en vermogensverdeling blijven pro forma aangehouden tot 1 oktober 2026 voor het bepalen van nadere mondelinge behandeling.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
Bekrachtiging beslissing ten aanzien van de echtscheiding. De zaak wordt aangehouden voor het overige.
Uitspraak
**GERECHTSHOF AMSTERDAM **
Afdeling civiel recht en belastingrecht Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummers: 200.369.613/01 en 200.369.616/01 zaaknummer rechtbank: C/15/373333/FA RK 26-11
beschikking van de meervoudige kamer van 8 september 2026 in de zaak van
wonende te [plaats A] , verzoekster in hoger beroep, hierna: de vrouw, advocaat: mr. T. Esen te Zaandam,
en
wonende te [plaats A] , verweerder in hoger beroep, hierna: de man, advocaat: mr. M.L. Molenaar te Noord-Scharwoude.
1 De zaak in het kort
1.1 De rechtbank heeft op 2 maart 2026 – voor zover hier van belang - de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De vrouw is het niet eens met die beslissing en wil dat het verzoek tot echtscheiding alsnog wordt afgewezen. De man is het wel eens met de beslissing van de rechtbank.
2 De procedure in hoger beroep
2.1 De vrouw is op 30 mei 2026 in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar (hierna: de rechtbank) van 2 maart 2026 (hierna: de bestreden beschikking).
2.2 De man heeft op 19 augustus 2026 een verweerschrift ingediend.
2.3 Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de zijde van de man van 2 juni 2026;
- een bericht van de zijde van de vrouw van 25 juni 2026 met bijlagen;
- een bericht van de zijde van de vrouw van 21 juli 2026;
- een mailbericht van de zijde van de man van 24 juli 2026;
- een mailbericht van de zijde van de man van 4 augustus 2026;
- een mailbericht van de zijde van de vrouw van 4 augustus 2026;
- een mailbericht van de zijde van de vrouw van 12 augustus 2026;
- een mailbericht van de zijde van de man van 13 augustus 2026.
2.4 Het hof heeft partijen bij brief van 16 juni 2026 schriftelijk bericht dat het hof voornemens is het schorsingsverzoek zonder zitting af te doen. Bij brief van 16 juli 2026 heeft het hof dit gerectificeerd en bericht dat het voornemen ziet op het verzoek tot echtscheiding. De man heeft meegedeeld zich daarmee te kunnen verenigen.
2.5 Bij bericht van 21 juli 2026 geeft de vrouw te kennen een mondelinge behandeling te wensen ten aanzien van het verzoek tot echtscheiding.
2.6 Bij mailbericht van 12 augustus 2026 geeft de vrouw aan alsnog af te zien van een mondelinge behandeling en verzoekt het hof op het verzoek tot echtscheiding schriftelijk te beslissen.
3 De feiten
3.1 Partijen zijn met elkaar gehuwd [in] 2018 in [plaats B] , Filipijnen.
3.2 De man heeft de Nederlandse nationaliteit en de vrouw heeft de Filipijnse nationaliteit.
4 De omvang van het hoger beroep
4.1 De rechtbank heeft in de bestreden beschikking op het verzoek van de man, de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en bepaald dat de man huurder is van de woning aan het adres [A-straat] in [plaats A] vanaf de datum van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand. De laatste beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
4.2 De vrouw verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking,
- te bepalen dat de vrouw huurder is van de woning aan [A-straat] te [plaats A] , dan wel haar een termijn te gunnen van ten minste zes maanden na de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking om de woning te verlaten;
- de man te veroordelen tot betaling van een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw van € 253,- per maand, dan wel een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag, bij vooruitbetaling te voldoen met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, met bepaling dat de vrouw gerechtigd is wijziging te verzoeken zodra haar inkomen uit arbeid wegvalt of substantieel vermindert;
- de man te bevelen zijn volledige financiële stukken (jaaropgaven 2023-2025, belastingaanslagen, bankafschriften en huurovereenkomst) in het geding te brengen;
- de verdeling van de gemeenschappelijke inboedel vast te stellen aldus dat partijen een dobbelsteen opgooien om te bepalen wie als eerste kiest, waarna zij beurtelings één inboedelgoed kiezen totdat alle gemeenschappelijke inboedel is verdeeld, dan wel een andere door het hof in goede justitie te bepalen verdelingswijze vast te stellen; en
- de kosten van beide instanties te compenseren in dier voege dat iedere partij de eigen kosten draagt, dan wel een door het hof te bepalen kostenverdeling vast te stellen.
4.3 De man verzoekt de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep, dan wel haar verzoeken af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen, althans een beslissing te nemen die het hof juist acht, met veroordeling van de vrouw in de kosten van het geding.
5 De motivering van de beslissing
5.1 Het hof beperkt zich in deze beschikking tot een beslissing ten aanzien van de echtscheiding.
5.2 De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt om te oordelen over het verzoek van de man tot echtscheiding. Nu tegen het oordeel van de rechtbank dat op dit verzoek naar Nederlands recht wordt beslist niet is gegriefd, zal ook het hof van de toepasselijkheid van Nederlands recht uitgaan.
5.3 Ingevolge artikel 1:151 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is voor een echtscheiding vereist dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. Een huwelijk is duurzaam ontwricht indien de voortzetting van de samenleving ondraaglijk is geworden, zonder dat er uitzicht bestaat op herstel van behoorlijke echtelijke verhoudingen (MvT, Kamerstukken II, 10213, 3, p. 14 e.v., MvA II, 6, p. 3 e.v.). Indien een echtgenoot stelt, en daarbij volhardt, dat hij niet meer met zijn echtgenoot kan samenleven, zal dit door de rechter moeten worden opgevat als een zeer ernstige aanwijzing dat de toestand van duurzame ontwrichting bestaat en vormt dit volgens vaste rechtspraak vrijwel altijd een beslissende aanwijzing dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.
5.4 De vrouw stelt dat van een duurzame ontwrichting van het huwelijk geen sprake is en wenst in beginsel voortzetting van de huwelijkse samenleving. De man is beïnvloed door een derde persoon waardoor hij het huwelijk niet helder beoordeelt, aldus de vrouw. De vrouw wijst erop dat partijen nog steeds samenwonen in de echtelijke woning aan [A-straat] 24 te [plaats A] . Dat partijen onder één dak verblijven en de dagelijkse huwelijkse samenleving – in ieder geval in feitelijke zin – voortduurt, is volgens de vrouw een concreet en zwaarwegend aanknopingspunt dat onverenigbaar is met de beweerde duurzame ontwrichting.
5.5 De man stelt dat het huwelijk duurzaam is ontwricht, omdat al heel lang geen enkele intimiteit meer tussen partijen is geweest en zij nauwelijks meer met elkaar communiceren. Er bestaat geen uitzicht op herstel van de echtelijke verhoudingen, aldus de man. Partijen wonen weliswaar nog in dezelfde woning, maar dat is omdat de vrouw weigert te vertrekken. De man ziet geen enkele mogelijkheid voor partijen om hun relatie te herstellen en heeft de weloverwogen en definitieve beslissing genomen dat hij het huwelijk niet langer wil voortzetten.
5.6 Zoals hiervoor onder 5.3 is vermeld, geldt ten aanzien van de duurzame ontwrichting van het huwelijk dat indien een echtgenoot stelt, en daarbij volhardt, dat hij niet meer met de andere echtgenoot kan samenleven, dit door de rechter zal moeten worden opgevat als een zeer ernstige aanwijzing dat de toestand van duurzame ontwrichting bestaat en vormt dit volgens vaste rechtspraak vrijwel altijd een beslissende aanwijzing dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. Het hof stelt vast dat de man herhaaldelijk en ondubbelzinnig naar voren heeft gebracht dat hij van de vrouw wil scheiden. Ook heeft hij duidelijk gemaakt dat hij geen enkele mogelijkheid ziet om de relatie te herstellen. Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw haar stelling dat de man beïnvloed is door een derde persoon waardoor hij het huwelijk niet helder beoordeelt, onvoldoende onderbouwd. Gelet op al het voorgaande is de rechtbank naar het oordeel van het hof op goede gronden tot het oordeel gekomen dat sprake is van duurzame ontwrichting van het huwelijk van partijen. Het hof zal de bestreden beschikking op dit punt dan ook bekrachtigen.
5.7 Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
6 De beslissing
Het hof:
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor wat betreft de beslissing ten aanzien van de echtscheiding;
houdt de behandeling van de zaak voor wat betreft de verzoeken met betrekking tot het huurrecht van de echtelijke woning en de partneralimentatie (zaak met zaaknummer 200.369.613/01) en de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap (zaak met zaaknummer 200.369.616/01) pro forma aan tot 1 oktober 2026 voor het bepalen van een nadere mondelinge behandeling.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.M.C. Louwinger-Rijk, J.M. van Baardewijk en M. Perfors en door mr. V.A.M. Willemsen als griffier en is op 8 september 2026 in het openbaar uitgesproken door de oudste raadsheer.