ECLI:NL:GHAMS:2025:3585 Gerechtshof Amsterdam , 09-12-2025 / 200.320.217
Samenvatting
Gerechtshof Amsterdam (meervoudige kamer, team I) heeft in het arrest van 9 december 2025 (zaaknummer 200.320.217/01) het vonnis van de kantonrechter van 16 september 2021 bekrachtigd in het geschil tussen appellant Dexia Nederland B.V. (adv. mr. I.M.C.A. Reinders Folmer) en geïntimeerde [geïntimeerde] (adv. mr. J.B. Maliepaard).
Feiten en procesverloop
- De afneemster sloot met een rechtsvoorgangster van Dexia een effectenleaseovereenkomst (contractnr. [nummer], d.d. 29-03-2000, looptijd 120 maanden; eindafrekening d.d. 29-03-2010: -/- € 4.816,95). De overeenkomst is beëindigd en Dexia stelde een eindafrekening op.
- [geïntimeerde], echtgenoot van de afneemster ten tijde van het aangaan, had geen schriftelijke toestemming verleend voor het sluiten van de overeenkomst.
- [geïntimeerde] heeft bij brief van 15 oktober 2003 de overeenkomst buitengerechtelijk vernietigd met een beroep op art. 1:89 BW in samenhang met art. 1:88 BW.
- In hoger beroep stond centraal of de verjaring van de vordering uit onverschuldigde betaling door gelijke stuitingshandelingen tijdig was onderbroken, en specifiek of Leaseproces gemachtigd was om namens (onder meer) [geïntimeerde] de verjaring te stuiten.
Juridische beoordeling
- Het hof neemt als vaststaand aan dat de overeenkomst krachtens art. 1:89 BW is vernietigd.
- Over de verjaring geldt op grond van art. 3:309 BW een termijn van vijf jaar vanaf het moment dat de schuldeiser bekend is met het bestaan van de vordering en de persoon van de ontvanger. Het hof overwoog dat de collectieve actie die aanhangig was en de beschikking van dit hof van 25 januari 2007 (verbindendverklaring WCAM) de verjaring tot en met 25 juli 2007 heeft gestuit (conform HR 9 okt. 2015 en HR 19 mei 2017).
- Daarna voerde Dexia verjaring aan tegen de vergoeding uit onverschuldigde betaling. [geïntimeerde] stelde dat Leaseproces de verjaring tijdig had gestuit door brieven van 24 januari 2012 en 27 oktober 2016, gericht namens lijsten met cliënten en expliciet ook ten behoeve van hun echtgenoten (waaronder [geïntimeerde]). Het hof verwijst naar zijn eerdere overweging (ECLI:NL:GHAMS:2019:3735) dat die brieven voldoende concreet zijn en voldeden aan de eisen van art. 3:317 BW. Dexia had de inhoud en het bestaan van die brieven niet betwist.
- Dexia betoogde dat Leaseproces niet bevoegd (geen volmacht) was om namens [geïntimeerde] te stuiten en beroepen op art. 3:71 BW (mogelijk ongeldigverklaring van handelingen van een gevolmachtigde indien na eerst verzoek geen bewijs van volmacht is geleverd). Het hof oordeelt dat Dexia niet onmiddellijk na ontvangst van de brief van 24 januari 2012 om bewijs van volmacht heeft verzocht, zodat zij zich later niet meer op art. 3:71 BW kan beroepen. Evenmin is gesteld of gebleken dat de volmacht is herroepen. De latere brief van 27 oktober 2016 bouwt voort op de eerdere st
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
Effectenlease. Art. 1:88/1:89 BW. Stuiting van de verjaring van de vordering van de echtgenote door gevolmachtigde. Volmacht door Dexia pas na jaren in twijfel getrokken; beroep Dexia op ongeldigheid volmacht verworpen. Vernietiging leaseovereenkomst door echtgenote effectief.
Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer: 200.320.217/01 zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam: 8887776 EL 20-04
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 9 december 2025
inzake
DEXIA NEDERLAND B.V., gevestigd te Amsterdam, appellante, advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,
tegen
Partijen worden hierna Dexia en [geïntimeerde] genoemd.
1 De zaak in het kort
De afneemster is een of meer effectenleaseovereenkomsten aangegaan met Dexia. [geïntimeerde] van de afneemster heeft deze effectenleaseovereenkomst(en) met een beroep op artikelen 1:88 en 1:89 Burgerlijk Wetboek (BW) vernietigd. In dit hoger beroep behandelt het hof onder meer de vraag of Leaseproces bevoegd was om namens [geïntimeerde] de verjaring te stuiten van de vordering uit onverschuldigde betaling die voortvloeit uit de vernietiging.
2 Het geding in hoger beroep
Dexia is bij dagvaarding van 15 december 2021 in hoger beroep gekomen van een vonnis de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) van 16 september 2021, onder bovengenoemd zaak- en rolnummer gewezen tussen [geïntimeerde] als eiser en Dexia als gedaagde.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, met productie;
- memorie van antwoord, met producties;
- akte uitlaten producties van Dexia.
Partijen hebben geconcludeerd zoals verwoord in de processtukken.
Ten slotte is arrest gevraagd.
3 Feiten
De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2. vastgesteld van welke feiten is uitgegaan. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil, zodat ook het hof deze feiten als vaststaand zal aannemen. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten, komen de feiten neer op het volgende.
3.1. De afneemster heeft met een rechtsvoorgangster van Dexia onderstaande effectenleaseovereenkomst gesloten (hierna: de effectenleaseovereenkomst). De effectenleaseovereenkomst is op enig moment geëindigd, waarna Dexia de eindafrekening heeft opgesteld. De relevante gegevens van de effectenleaseovereenkomst zijn als volgt:
[nummer]
[naam]
3.2. [geïntimeerde] , met wie de afneemster ten tijde van het aangaan van de effectenleaseovereenkomst was gehuwd, heeft de afneemster geen (schriftelijke) toestemming verleend voor het aangaan van de effectenleaseovereenkomst.
3.3. Bij brief van 15 oktober 2003 aan Dexia (hierna: de vernietigingsbrief) heeft [geïntimeerde] met een beroep op artikel 1:89 BW in samenhang met artikel 1:88 BW de effectenleaseovereenkomst vernietigd.
4 Beoordeling
4.1. Bij beschikking van 25 januari 2007 ( ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ7033 ) heeft dit hof op de voet van artikel 7:907 lid 1 BW een overeenkomst tussen Dexia en anderen verbindend verklaard voor de kring van gerechtigden als bedoeld in artikel 2 van de WCAM-overeenkomst, inhoudende een algemene regeling voor de afwikkeling van effectenleaseovereenkomsten. De afneemster en [geïntimeerde] hebben tijdig een opt out-verklaring uitgebracht, zodat deze WCAM-overeenkomst hen niet bindt.
4.2. Het staat in hoger beroep niet ter discussie dat de onderhavige effectenleaseovereenkomst op grond van artikel 1:89 BW is vernietigd.
4.3. Dexia doet een beroep op de verjaring van de rechtsvordering van [geïntimeerde] uit onverschuldigde betaling. [geïntimeerde] voert aan dat hij de verjaring tijdig heeft gestuit. Het hof overweegt als volgt.
4.4. De verjaringstermijn van een vordering uit onverschuldigde betaling bedraagt vijf jaar nadat de schuldeiser zowel met het bestaan van de vordering als de persoon van de ontvanger bekend is geworden (artikel 3:309 BW). De effectenleaseovereenkomst is op 15 oktober 2003 buitengerechtelijk vernietigd door [geïntimeerde] en de op dat moment aanhangige, hiervoor genoemde collectieve actie heeft de verjaring van de vordering uit onverschuldigde betaling van [geïntimeerde] gestuit tot zes maanden nadat dit hof in zijn beschikking van 25 januari 2007 de WCAM-overeenkomst verbindend heeft verklaard, dus tot en met 25 juli 2007 (HR 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3018 en HR 19 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:936 ).
4.5. [geïntimeerde] betoogt dat de verjaring is gestuit door onder meer de brieven van 24 januari 2012 en 27 oktober 2016 die Leaseproces namens al haar cliënten, waaronder de afneemster, en de echtgenoten van de betreffende cliënten, waaronder [geïntimeerde] , aan Dexia heeft gestuurd.
4.6. Ten aanzien van deze brieven heeft dit hof reeds als volgt geoordeeld (hof Amsterdam 15 oktober 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:3735 , rov. 2.4):
“
Het hof blijft bij dit oordeel. Dexia heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd, die het hof aanleiding geven om hiervan terug te komen. Dit betekent dat het hof ervan uitgaat dat deze brieven ook zien op [geïntimeerde] , nu Dexia erkent dat de afneemster op de lijsten behorende bij de brieven van 24 januari 2012 en 27 oktober 2016 staat vermeld.
4.7. Dexia betwist in hoger beroep dat Leaseproces gemachtigd was om namens [geïntimeerde] enige verjaring te stuiten. In grief I voert Dexia in dat verband aan dat de brieven van 17 en 27 oktober 2016 op grond van artikel 3:71 BW geen rechtsgevolg hebben gehad. Op grond van dat artikel kunnen verklaringen, die een gevolmachtigde heeft afgelegd, door de wederpartij als ongeldig van de hand worden gewezen, indien zij de gevolmachtigde terstond om bewijs van de volmacht heeft gevraagd en dit bewijs niet op de in artikel 3:71 BW omschreven wijze wordt geleverd. Dexia stelt dat zij in haar brief aan Leaseproces van 31 oktober 2016 de volmacht heeft betwist. Leaseproces heeft na deze brief een zeer groot aantal volmachten aan Dexia toegezonden, maar daaronder bevond zich volgens Dexia geen volmacht van de echtgenote.
4.8. Grief I slaagt niet. Niet gesteld of gebleken is dat Dexia destijds ten aanzien van de brief van 24 januari 2012 heeft betwist dat de afneemster als cliënt van Leaseproces een volmacht heeft verstrekt aan Leaseproces om namens haar de verjaring te stuiten en dat Leaseproces tevens gevolmachtigd was om dit ook namens [geïntimeerde] te doen, zodat op die grond ervan moet worden uitgegaan dat deze brief mede namens [geïntimeerde] is verzonden. De stuitingsbrief van 27 oktober 2016 bouwt hierop voort. Nu Dexia na ontvangst van de brief van 24 januari 2012 niet terstond om bewijs van een volmacht heeft gevraagd, kan op artikel 3:71 BW geen beroep meer worden gedaan. Niet gesteld of gebleken is dat [geïntimeerde] op enig moment na 24 januari 2012 de volmacht heeft herroepen dan wel dat Leaseproces de volmacht heeft opgezegd. Bovendien hebben de afneemster en [geïntimeerde] ook steeds gesteld dat deze volmacht bestond. Na de brief van 27 oktober 2016 is de dagvaarding vervolgens binnen de lopende verjaringstermijn van vijf jaar vanaf 28 oktober 2016 uitgebracht, namelijk op 28 oktober 2020 (hof Amsterdam 22 december 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:3567 , rov. 2.16). Bij bespreking van de brief van 17 oktober 2016 bestaat, gezien het voorgaande, geen belang.
4.9. Of en op welke wijze Leaseproces voorafgaand aan de brief van 24 januari 2012 gevolmachtigd was en of Dexia in haar brief van 31 oktober 2016 de volmacht van [geïntimeerde] aan Leaseproces heeft betwist, is in het licht van het bovenstaande niet meer relevant. Grief II behoeft daarom geen behandeling.
4.10. Uit het vorenstaande volgt dat namens [geïntimeerde] de verjaring van de vordering uit onverschuldigde betaling tijdig is gestuit, zodat het verjaringsverweer van Dexia wordt verworpen. Dit betekent dat de effectenleaseovereenkomst is vernietigd en dat Dexia gehouden is tot terugbetaling van al hetgeen aan haar uit hoofde van de effectenleaseovereenkomst is betaald.
4.11. Uit het vorenstaande volgt dat het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.
4.12. Dexia is in het hoger beroep in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep. Het hof stelt deze kosten als volgt vast:
- griffierecht€ 343,00
- salaris advocaat
€ 1.214,00 (tarief II, 1 punt) totaal€ 1.557,00
5 Beslissing
Het hof:
5.1. bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;
5.2. veroordeelt Dexia in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 1.557,00 en op € 178,00 voor nasalaris, te vermeerderen met € 92,00 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, het eerste bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente indien niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan;
5.3. verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.W.M. Tromp, W.J.J. Los en M.M. Kruithof en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 9 december 2025.