ECLI:NL:GHAMS:2024:820 Gerechtshof Amsterdam , 02-04-2024 / 200.316.657/01
Samenvatting
In het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 2 april 2024, zaaknummer 200.316.657/01, staat [appellant] tegenover Manpower Business Services B.V. [appellant] is in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter van 19 april 2022, waarin zijn vorderingen tegen Manpower werden afgewezen.
De kern van de zaak betreft de vraag of Manpower toezeggingen heeft gedaan aan [appellant] met betrekking tot een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. [appellant] was in dienst bij Manpower en had verschillende detacheringsovereenkomsten, waarvan de laatste liep tot 30 december 2018. Tijdens zijn detachering heeft hij te maken gehad met ziekte en re-integratie.
In zijn e-mail van 18 september 2018 stelde [appellant] dat er afspraken waren gemaakt over de voortzetting van zijn contract en een mogelijke indiensttreding bij Manpower. Echter, Manpower heeft in een brief van 24 oktober 2018 bevestigd dat de detacheringsovereenkomst van rechtswege zou eindigen op de afgesproken datum en dat verdere verlenging uitgesloten was. [appellant] heeft deze overeenkomst niet ondertekend en heeft na 28 oktober 2018 niet meer voor Manpower gewerkt.
In eerste aanleg vorderde [appellant] onder andere schadevergoeding wegens het niet nakomen van toezeggingen door Manpower. De kantonrechter wees deze vorderingen af, omdat er geen bewijs was voor een toezegging van Manpower dat [appellant] een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd zou krijgen. [appellant] stelde dat er mondelinge toezeggingen waren gedaan door zijn leidinggevende, maar deze werden door Manpower betwist.
In hoger beroep herhaalde [appellant] zijn stellingen en voegde hij opnames van telefoongesprekken toe als bewijs. Het hof oordeelde echter dat [appellant] niet voldoende had aangetoond dat er sprake was van een toezegging of dat hij gerechtvaardigd kon vertrouwen op een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Het hof concludeerde dat de kantonrechter terecht had geoordeeld dat de detacheringsovereenkomst van rechtswege eindigde en dat [appellant] niet geslaagd was voor de vereiste tests om in aanmerking te komen voor een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.
Het hof bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter en veroordeelde [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep. De vorderingen van [appellant] werden afgewezen, en het hof verklaarde het arrest uitvoerbaar bij voorraad.
Soortgelijke uitspraken
Tijdslijn
Inhoudsindicatie
De stelling dat een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is toegezegd, dan wel dat appellant er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat hem een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd zou worden aanboden, is onvoldoende feitelijk onderbouwd en toegelicht. Hierbij is onder meer relevant dat appellant wist dat hij een tweetal tests met goed gevolg moest afleggen en dat vaststaat dat hij hierin niet is geslaagd. Het bestreden vonnis wordt bekrachtigd.
Uitspraak
**GERECHTSHOF AMSTERDAM **
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer: 200.316.657/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam: 9401448 CV EXPL 21-12160
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 2 april 2024
inzake
wonende te [woonplaats] , appellant, advocaat: mr. C.P.R.M. Dekker te 's-Gravenhage,
tegen
MANPOWER BUSINESS SERVICES B.V.,
gevestigd te Diemen, geïntimeerde, advocaat: mr. B.N. Vlasman te Amsterdam.
Partijen worden hierna [appellant] en Manpower genoemd.
1 Het geding in hoger beroep
[appellant] is bij dagvaarding van 19 juli 2022, gevolgd door een herstelexploot van 21 september 2022, in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) van 19 april 2022, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellant] als eiser en Manpower als gedaagde (hierna: het bestreden vonnis).
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven tevens inhoudende een vermeerdering van eis, met producties;
- memorie van antwoord, met producties.
Partijen hebben de zaak ter zitting van 12 januari 2024 doen bepleiten, [appellant] door mr. Dekker voornoemd, en Manpower door mr. Vlasman voornoemd, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Ten slotte is arrest gevraagd.
[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - zijn - in hoger beroep vermeerderde - vorderingen alsnog zal toewijzen, met veroordeling van Manpower in de kosten van het geding in beide instanties.
Manpower heeft, kort samengevat, geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van [appellant] , althans tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, althans tot afwijzing dan wel matiging (tot nihil) van de – in hoger beroep vermeerderde – vorderingen van [appellant] , met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, uitvoerbaar bij voorraad.
Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.
2 Feiten
De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 1.1 t/m 1.10 de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Het gaat in deze zaak om het volgende.
2.1 [appellant] is in dienst getreden bij Manpower. In dat kader was hij vanaf 10 april 2017 op grond van een Fase A detacheringsovereenkomst geplaatst bij Fiditon. Deze detacheringsovereenkomst is op 29 september 2017 verlengd tot en met 25 maart 2018.
2.2 Gedurende de detachering bij Fiditon is [appellant] uitgevallen wegens ziekte. In het kader van zijn re-integratie is [appellant] per 2 april 2018 gedetacheerd bij Manpower zelf, op de afdeling OP&S, in de functie van Desk Officer, functiegroep 8, op basis van een detacheringsovereenkomst Fase B. Deze overeenkomst werd aangegaan voor de periode van 2 april 2018 tot en met 1 juli 2018. Op 2 juli 2018 heeft Manpower de detacheringsovereenkomst verlengd tot en met 28 oktober 2018. Aan [appellant] is daarbij onder meer het volgende medegedeeld:
2.3 Bij e-mail van 18 september 2018 heeft [appellant] aan [naam 1] (hierna: [naam 1]), toenmalig leidinggevende van [appellant] bij Manpower, onder meer het volgende geschreven:
2.4 Per 1 oktober 2018 is [appellant] gaan werken op de afdeling Special Billing.
2.5 Bij e-mail van 8 oktober 2018 heeft [naam 1] aan [naam 2], corporate recruiter bij Manpower Group, onder meer het volgende geschreven:
2.6 [naam 1] heeft [appellant] in oktober 2018 in de gelegenheid gesteld de intelligentietest (VIT-test) en de persoonlijkheidstest (CAS-test) te doen. [appellant] heeft alleen de CAS-test gedaan, maar het resultaat daarvan was onvoldoende. De VIT-test heeft hij geoefend, maar uiteindelijk niet gedaan.
2.7 Bij brief van 24 oktober 2018 heeft Manpower aan [appellant] onder meer het volgende bericht:
2.8 [appellant] heeft deze detacheringsovereenkomst niet ondertekend. In een digitaal commentaar bij deze brief heeft hij onder meer het volgende geschreven:
[appellant] heeft na 28 oktober 2018 niet meer gewerkt voor Manpower.
2.9 Bij brief van 31 januari 2019 heeft [naam 3] (hierna: [naam 3]), medewerker van de afdeling Human Resources van Manpower, gereageerd op een brief van 1 januari 2019 van [appellant] , waarin hij melding maakte van diverse claims op Manpower. Onder het kopje ‘Vordering 5’ heeft [naam 3] onder meer het volgende geschreven:
Manpower heeft de claims van [appellant] afgewezen.
2.10 Bij e-mail van 6 februari 2019 heeft [appellant] aan [naam 3] verzocht om toezending van “het originele exemplaar van de onbepaalde tijd arbeidsovereenkomst”. In reactie daarop heeft [naam 3] op 21 februari 2019 aan [appellant] bericht dat een dergelijk document niet is opgesteld en dat een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd nooit tot stand is gekomen.
3 Beoordeling
3.1 [appellant] heeft in eerste aanleg, samengevat, gevorderd dat de kantonrechter – uitvoerbaar bij voorraad – (i) voor recht verklaart dat bij [appellant] rechtens te honoreren verwachtingen zijn gewekt respectievelijk toezeggingen zijn gedaan dat [appellant] een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd zou krijgen van Manpower, en (ii) Manpower veroordeelt tot betaling van een in goede justitie te bepalen bedrag ten titel van schadevergoeding wegens het niet nakomen van de toezeggingen / de rechtens te honoreren gewekte verwachtingen alsmede een bedrag van € 4.000,- als vergoeding van de schade die [appellant] heeft geleden als gevolg van het wisselende inkomenspatroon. [appellant] heeft, ten slotte, gevorderd dat Manpower wordt veroordeeld in de kosten van het geding. Manpower heeft verweer gevoerd tegen deze vorderingen.
3.2 De kantonrechter heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen en hem veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van Manpower. Aan dit oordeel heeft de kantonrechter samengevat het volgende ten grondslag gelegd. Uit de stukken en de stellingen van partijen blijkt noch van een toezegging door Manpower dat [appellant] een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd zou krijgen, noch van een gedraging van Manpower waaraan [appellant] het gerechtvaardigde vertrouwen mocht ontlenen dat hem een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd zou worden aangeboden. [appellant] stelt weliswaar dat door [naam 1] mondeling is toegezegd dat hij een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd zou krijgen, maar [naam 1] betwist dit. [naam 1] erkent wel te hebben onderzocht of [appellant] in aanmerking zou kunnen komen voor een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, maar [naam 1] heeft daarbij duidelijk gemaakt dat [appellant] daartoe de CAS- en VIT-test goed zou moeten maken. Daarnaast stelt de kantonrechter vast dat in de detacheringsovereenkomst voor bepaalde tijd steeds is vermeld dat deze overeenkomst van rechtswege zal eindigen. Dat [appellant] dat ook zo heeft begrepen, volgt uit zijn eigen e-mail van 18 september 2018, hiervoor onder 2.3 weergeven. Partijen waren aldus niet in een verder stadium dan het verkennen van de mogelijkheid om [appellant] voor onbepaalde tijd in dienst te nemen. Vaststaat dat [appellant] de genoemde testen niet met goed gevolg heeft afgelegd, waarop het verkenningstraject strandde. Dat [naam 3] in de brief van 31 januari 2019 aan [appellant] vermeldde dat hem een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is aangeboden, die hij heeft geweigerd, berust overduidelijk op een misverstand. De enige arbeidsovereenkomst die [appellant] heeft geweigerd, is immers de verlenging van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tot en met 30 december 2018. [appellant] kan aan de mededeling in die brief dan ook niet de gerechtvaardigde verwachting ontlenen dat hij aanspraak had op een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellant] met zijn - niet expliciet genummerde - grieven op.
3.3 De grieven strekken ten betoge dat Manpower aan [appellant] toezeggingen heeft gedaan dat [appellant] een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd zou krijgen, althans dat Manpower bij [appellant] rechtens te honoreren verwachtingen heeft gewekt dat hij een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd zou krijgen. Doordat Manpower deze toezeggingen niet is nagekomen, althans de gewekte verwachtingen niet heeft gehonoreerd, stelt [appellant] schade te hebben geleden tot een bedrag van € 80.000,-, welke schade hij vergoed wil hebben.
3.4 [appellant] baseert de gestelde toezeggingen op de inhoud van een tweetal opgenomen telefoongesprekken, één met [naam 1] (opname 1) en één met [naam 3] (opname 2). [appellant] stelt dat uit opname 1 volgt dat [naam 1] mondeling heeft toegezegd dat [appellant] een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd zou krijgen. Dit blijkt volgens [appellant] tevens uit de brief van [naam 3] aan [appellant] van 31 januari 2019 waarin staat dat Manpower hem een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd heeft aangeboden. Daarnaast meent [appellant] dat de toezegging ook volgt uit opname 2 waarin [naam 3] niet heeft betwist dat aan [appellant] een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is aangeboden. Het is, anders dan de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld, dus geen misverstand dat [naam 3] heeft gezegd dat aan [appellant] een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is aangeboden, aldus steeds [appellant] .
3.5 Het betoog van [appellant] slaagt niet. [appellant] heeft noch in de memorie van grieven noch ter zitting in hoger beroep kunnen aangeven welke uitspraak van [naam 1] in opname 1 kan worden opgevat als een toezegging dat aan hem een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd zou worden aangeboden. Evenmin heeft [appellant] concreet gesteld aan welke uitspraak van [naam 1] in opname 1 hij het gerechtvaardigd vertrouwen mocht ontlenen dat hij een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd zou krijgen bij Manpower. Los hiervan heeft het hof na het beluisteren van de opnames ook geen aanknopingspunten gevonden voor de stellingen van [appellant] . De omstandigheid dat [naam 3] in haar brief van 31 januari 2019 melding heeft gemaakt van een overeenkomst voor onbepaalde tijd, berust - naar de kantonrechter terecht heeft overwogen - op een misverstand. De enige arbeidsovereenkomst die aan [appellant] was aangeboden, betreft immers de (verlenging van de) arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van 24 oktober 2018 tot eind december 2018, welk aanbod door [appellant] is afgewezen. Daarbij komt dat [naam 3] in haar brief van 21 februari 2019 heeft bevestigd dat er nooit een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd tot stand is gekomen. Voorts is voor het oordeel dat [appellant] er niet gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat hij een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd zou krijgen redengevend de omstandigheid dat [appellant] - zo bevestigde hij ter zitting in hoger beroep - ermee bekend was dat hij daarvoor de zogenoemde CAS- en VIT-test met goed gevolg zou moeten afleggen en dat vaststaat dat [appellant] niet is geslaagd voor de CAS-test en de VIT-test niet heeft gedaan. Dat [naam 3] in opname 2 niet uitdrukkelijk heeft betwist dat aan [appellant] een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is aangeboden, is in het licht van het voorgaande onvoldoende om tot de conclusie te komen dat dat [appellant] er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat hij een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd zou krijgen.
3.6 Voor zover [appellant] stelt dat in een eerder gesprek ten kantore van Manpower een toezegging is gedaan dan wel verwachtingen zijn gewekt dat hij bij Manpower een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd zou krijgen, is dit een nieuwe stelling die ter zitting in hoger beroep voor het eerst naar voren is gebracht. Deze stelling die als een nieuwe grief heeft te gelden - zoals ook mr. Dekker desgevraagd ter zitting in hoger beroep heeft erkend - had bij memorie van grieven naar voren moeten worden gebracht. Nu dit niet is gebeurd, is de grief tardief voorgesteld en dient deze reeds daarom buiten beschouwing te blijven.
3.7 Op grond van het voorgaande moet worden geoordeeld dat [appellant] zijn stelling dat Manpower hem een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd heeft toegezegd, dan wel dat [appellant] er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat Manpower hem een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd zou aanbieden, onvoldoende feitelijk heeft onderbouwd en toegelicht. Dit leidt ertoe dat de vorderingen van [appellant] ook in hoger beroep niet toewijsbaar zijn.
3.8 [appellant] heeft geen feiten en omstandigheden gesteld die, indien bewezen, tot een ander oordeel leiden, zodat zijn bewijsaanbod als niet ter zake dienend wordt gepasseerd.
3.9 De slotsom is dat de grieven falen. Gelet hierop behoeft het verweer van Manpower dat [appellant] de verkeerde Manpower entiteit in rechte heeft betrokken geen bespreking. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd en [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in hoger beroep.
4 Beslissing
Het hof:
bekrachtigt het bestreden vonnis;
veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Manpower begroot op € 783,- aan verschotten en € 2.366,- voor salaris;
verklaart dit arrest ten aanzien van bovenstaande kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. R.L. de Graaff, M.L.D. Akkaya en I.A. Haanappel-van der Burg en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 2 april 2024.