Semantius logo
Semantius
Uitspraken
ECLI:NL:CRVB:2026:1168

ECLI:NL:CRVB:2026:1168 Centrale Raad van Beroep , 02-09-2026 / 26/900 WIA
Bestuursrecht > Socialezekerheidsrecht

Semantius verrijkingen

Samenvatting

Appellante: [appellante], wonende te [woonplaats], Turkije, bijgestaan door mr. P.A. van Lange, advocaat. Verweerder: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv). Bestreden uitspraak: vonnis van de rechtbank Amsterdam van 9 april 2026, zaaknummer AMS 24/1986. Zaak bij de Centrale Raad van Beroep onder vermelding 26/900 WIA; meervoudige kamer verwees de zaak naar een enkelvoudige kamer. Uitspraak datum: 2 september 2026; rechter-rapporteur: Y. Sneevliet; griffier: N. Phetkhoowiang.

Feiten en procesverloop: appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam. De gemachtigde van appellante is bij brief van 28 mei 2026 gewezen op de verschuldigdheid van een griffierecht van €147,00, met mededeling dat dit uiterlijk 28 dagen na verzending van die brief op de opgegeven bankrekening moet zijn bijgeschreven. Vervolgens is bij aangetekende brief van 29 juni 2026 nogmaals ingebonden op de betaling van het griffierecht, met de waarschuwing dat betaling binnen vier weken na die brief op de genoemde rekening dient te zijn bijgeschreven of contant moet worden voldaan en dat bij niet-tijdige betaling het (hoger) beroep niet inhoudelijk behandeld zal worden. Het griffierecht is niet binnen de gestelde termijn betaald.

Juridische grondslag en overwegingen: de Centrale Raad verwijst naar artikel 8:41, eerste lid, Awb, waarin wordt voorgeschreven dat van de indiener van een beroepschrift griffierecht wordt geheven, en artikel 8:108, eerste lid, Awb, dat deze regeling van overeenkomstige toepassing verklaart op het hoger beroep. Gelet op de toezendingen en ingebrekestellingen en de feitelijke vaststelling dat het griffierecht niet is voldaan, kan naar het oordeel van de Raad redelijkerwijs niet worden aangenomen dat appellante niet in verzuim is geweest. Omdat aan de betalingsverplichting niet is voldaan en geen omstandigheden zijn gebleken die betalingsverzuim rechtvaardigen of doen verdwijnen, leidt dit tot de rechtsgevolg van niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep. De Raad oordeelt dat het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk is en dat daarom zonder nadere inhoudelijke beoordeling kan worden beslist.

Beslissing: het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard. Er is geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling.

Formele mededelingen: uitspraak gedaan en uitgesproken in het openbaar op 2 september 2026; mogelijkheid tot verzet: een belanghebbende en het bestuursorgaan kunnen binnen zes weken na verzending van het afschrift schriftelijk verzet indienen bij de Centrale Raad van Beroep (Postbus 16002, 3500 DA Utrecht) en daarbij verzoeken om te worden gehoord.

Soortgelijke uitspraken

ECLI:NL:CRVB:2025:1630
Bestuursrecht > Socialezekerheidsrecht
12-11-2025 91% soortgelijk
Appellante [appellante] te [woonplaats] heeft bij gemachtigde mr. M. Görsültürk hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 1 mei 2025 (UTR 24/6553 WIA). Verweerder is de Raad van...
ECLI:NL:CRVB:2026:201
Bestuursrecht > Socialezekerheidsrecht
25-02-2026 89% soortgelijk
Appellant: [appellant] te [woonplaats], bijgestaan door mr. M. Görsültürk (advocaat). Verweerder: het dagelijks bestuur van Werkzaak Rivierenland. Betreft hoger beroep tegen uitspraak van de rechtbank Gelderland van 12 september 2025 (zaaknummer 24/362)....
ECLI:NL:CRVB:2026:277
Bestuursrecht > Socialezekerheidsrecht
12-03-2026 89% soortgelijk
Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) tegen de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv). Betreft hoger beroep (25/1633 WIA) tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 4 augustus 2025 (zaaknr....
ECLI:NL:CRVB:2026:983
Bestuursrecht > Socialezekerheidsrecht
30-07-2026 89% soortgelijk
Partijen en proces Appellant: [appellant] te [woonplaats], bijgestaan door mr. E. Kafa, advocaat. Verweerder: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv). Het hoger beroep betreft de uitspraak van de rechtbank...
ECLI:NL:CRVB:2025:1369
Bestuursrecht > Socialezekerheidsrecht
17-09-2025 88% soortgelijk
Appellant: [appellant] te [woonplaats], bijgestaan door [gemachtigde]. Verweerder: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV). Geschil betreft hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 13 februari 2025,...

Tijdslijn

Er is nog door niemand een tijdslijn gegenereerd.
Log in of maak een gratis account om een tijdslijn te kunnen genereren.
Oorsponkelijke uitspraak

Inhoudsindicatie

Hoger beroep niet-ontvankelijk. Het griffierecht is niet binnen de termijn betaald.

Uitspraak

26/900 WIA

Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer

Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 april 2026, AMS 24/1986 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] , Turkije (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 2 september 2026

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.A. van Lange, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.

OVERWEGINGEN

In artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat van de indiener van het beroepschrift een griffierecht wordt geheven. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.

Bij brief van 28 mei 2026 is de gemachtigde van appellante erop gewezen dat een griffierecht van € 147,00 is verschuldigd en is meegedeeld dat dit bedrag uiterlijk 28 dagen na de dag van verzending van de brief op de in die brief genoemde bankrekening moet zijn bijgeschreven.

Bij aangetekende brief van 29 juni 2026 is de gemachtigde van appellante nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is meegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de datum van deze brief op de in die brief genoemde bankrekening dient te zijn bijgeschreven dan wel contant moet zijn betaald. Daarbij is erop gewezen dat als het griffierecht niet tijdig wordt betaald, appellante er rekening mee moet houden dat het (hoger) beroep niet inhoudelijk behandeld zal worden.

Het griffierecht is niet binnen de termijn betaald.

Op grond van de beschikbare gegevens kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.

Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door Y. Sneevliet in tegenwoordigheid van N. Phetkhoowiang als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 september 2026.

(getekend) Y. Sneevliet

(getekend) N. Phetkhoowiang

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.