Semantius logo
Semantius
Uitspraken
ECLI:NL:CG:2024:6

ECLI:NL:CG:2024:6 Centrale Grondkamer , 09-07-2024 / GP 11.852
Civiel recht

Semantius verrijkingen

Samenvatting

Op 9 juli 2024 heeft de Centrale Grondkamer uitspraak gedaan in de zaak tussen de verpachtster en de pachter, waarbij de verpachtster verzocht had om goedkeuring van een pachtwijzigingsovereenkomst. Deze overeenkomst was bedoeld om de pachtovereenkomst uit 1986 te wijzigen, waarbij partijen de pachtprijs wilden laten aansluiten bij de regionorm. De grondkamer oordeelde echter dat dit niet mogelijk was voor pachtovereenkomsten die al bestonden op 31 augustus 2007. De verpachtster was het niet eens met dit oordeel en ging in beroep.

In de procedure bij de grondkamer was vastgesteld dat de oorspronkelijke pachtovereenkomst, aangegaan op 18 december 1986, een jaarlijkse pachtprijs van f 2.000,- had. In de pachtwijzigingsovereenkomst van 25 februari 2022 werd de pachtprijs vastgesteld op € 1.966,50 per jaar, met een jaarlijkse herziening volgens de regionorm. De grondkamer oordeelde echter dat de regionorm niet van toepassing was en wijzigde de pachtprijs naar € 1.773,76 per jaar, omdat de overeenkomst vóór 31 augustus 2007 was aangegaan.

De verpachtster ging in beroep bij de Centrale Grondkamer, die moest beoordelen of zij ontvankelijk was in haar beroep. Volgens artikel 36 lid 3 van de Uitvoeringswet grondkamers kan een partij geen beroep instellen als de wijziging van de pachtprijs minder dan 10 procent bedraagt. Aangezien de pachtprijs met minder dan 10 procent was verlaagd, concludeerde de Centrale Grondkamer dat de verpachtster niet-ontvankelijk was in haar beroep.

De verpachtster stelde dat de grondkamer ten onrechte de systematiek van vóór 31 augustus 2007 had toegepast en daarmee wettelijke regels had genegeerd. De Centrale Grondkamer oordeelde echter dat er geen sprake was van het buiten toepassing laten van het Pachtprijzenbesluit 2007 en dat er geen fundamentele rechtsbeginselen waren geschonden. Hierdoor kon de verpachtster niet in beroep komen.

De Centrale Grondkamer verklaarde de verpachtster uiteindelijk niet-ontvankelijk in haar beroep, waarmee de beslissing van de grondkamer werd bevestigd. De uitspraak werd gedaan door een panel van rechters en deskundigen, met mr. M. Knipping-Verbeek als griffier.

Soortgelijke uitspraken

ECLI:NL:CG:2024:4
Civiel recht
06-05-2024 96% soortgelijk
Op 25 april 2024 heeft de Centrale Grondkamer uitspraak gedaan in de zaak tussen de Staat der Nederlanden, vertegenwoordigd door het Rijksvastgoedbedrijf, en de pachter van een hoeve in de gemeente [gemeente]....
ECLI:NL:CG:2014:1
Civiel recht
30-07-2024 96% soortgelijk
Op 31 maart 2014 heeft de Centrale Grondkamer uitspraak gedaan in de zaak tussen [naam B.V.] B.V. (verpachtster) en [pachter] (pachter) met dossiernummer 11.721. De zaak betreft een geschil over de pachtprijs...
ECLI:NL:CG:2011:4
Civiel recht
08-03-2024 96% soortgelijk
Op 8 september 2011 heeft de Centrale Grondkamer uitspraak gedaan in de zaak tussen ASR Vastgoed Vermogensbeheer (verpachtster) en een pachter. De zaak betreft een pachtwijzigingsovereenkomst die was ingediend ter goedkeuring na...
ECLI:NL:CG:2019:8
Civiel recht
28-03-2024 96% soortgelijk
Op 8 mei 2019 heeft de Centrale Grondkamer uitspraak gedaan in de zaak tussen pachter [naam pachter] en de verpachters [naam verpachter 1], [naam verpachter 2] en [naam verpachter 3]. De zaak...
ECLI:NL:CG:2024:3
Civiel recht
06-05-2024 96% soortgelijk
Op 25 april 2024 heeft de Centrale Grondkamer uitspraak gedaan in de zaak tussen de Staat der Nederlanden, Rijksvastgoedbedrijf (verpachtster) en de pachter, vertegenwoordigd door mr. M.J.G. Peters. De zaak betreft een...

Tijdslijn

Er is nog door niemand een tijdslijn gegenereerd.
Log in of maak een gratis account om een tijdslijn te kunnen genereren.
Oorsponkelijke uitspraak

Inhoudsindicatie

Centrale Grondkamer, pachtrecht Artikel 36 lid 1 en 3 van de Uitvoeringswet grondkamers Ontvankelijkheid. De pachtprijs is met minder dan 10 procent dan de overeengekomen pachtprijs verlaagd. Geen sprake van doorbrekingsgronden. Verpachtster is niet-ontvankelijk.

Uitspraak

CENTRALE GRONDKAMER

Datum: 9 juli 2024 Dossiernummer: GP 11.852

Beschikking

in de zaak van:

[verpachtster], wonend in [woonplaats], gemeente [gemeente], hierna te noemen: verpachtster, gemachtigde: mr. P. Stehouwer, advocaat bij Bout Advocaten in Groningen,

-tegen-

[pachter], wonend in [woonplaats], hierna te noemen: pachter.

De beslissing van de Centrale Grondkamer in het kort

Verpachtster heeft de grondkamer gevraagd de tussen partijen overeengekomen pachtwijzigingsovereenkomst goed te keuren. Met deze pachtwijzigingsovereenkomst hebben partijen de pachtovereenkomst uit 1986 gewijzigd en voor de pachtprijs hebben zij willen aansluiten bij de regionorm. De grondkamer is van oordeel dat het voor pachtovereenkomsten die op 31 augustus 2007 al bestonden, niet mogelijk is aan te sluiten bij de regionorm. Verpachtster is het niet met dit oordeel eens.

De Centrale Grondkamer beslist dat verpachtster niet-ontvankelijk is in haar verzoek in beroep.

Hierna legt de Centrale Grondkamer de beslissing uit. Eerst beschrijft de Centrale Grondkamer onder 1. en 2. wat er in de procedure bij de grondkamer en in de procedure bij de Centrale Grondkamer is gebeurd. Onder 3. staan de redenen voor de beslissing. Onder 4. staat de beslissing in juridische woorden.

1 De procedure bij de grondkamer

1.1. In de pachtovereenkomst van 18 december 1986 heeft verpachtster aan [vader van pachter] als pachter verpacht percelen landbouwgrond, bestaande uit en kadastraal bekend als gemeente [gemeente in de provincie Drenthe], [kadastrale aanduidingen], groot 1.90.40 ha, en [kadastrale aanduiding], groot 5.40.00 ha. De pachtovereenkomst is aangegaan voor de duur van zes jaren, ingaande op 1 november 1986 en eindigend op 1 november 1992 met een jaarlijkse pachtprijs van f 2.000,-.

1.2. Op 25 februari 2022 zijn verpachtster en [pachter] als pachter een overeenkomst getiteld: “pachtwijzigingsovereenkomst” aangegaan. In deze pachtwijzigingsovereenkomst heeft verpachtster aan pachter (als opvolger van [vader van pachter]) nu nog verpacht een perceel landbouwgrond, kadastraal bekend gemeente [gemeente in de provincie Drenthe], [kadastrale aanduidingen], groot

5.08.14 ha. In de pachtovereenkomst zijn partijen overeengekomen dat de pachtprijs voor het pachtjaar 1 november 2021 tot 1 november 2022 € 387,- per hectare per jaar oftewel € 1.966,50 in totaal per jaar bedraagt, waarbij de pachtprijs jaarlijks zal worden herzien met inachtneming van de van rechtswege geldende wijzigingen (“regionorm”). Daarnaast is pachter aan verpachtster 50% van de waterschapslasten verschuldigd.

1.3. Verpachtster heeft de pachtwijzigingsovereenkomst ter goedkeuring aan de grondkamer gestuurd. Het verzoek is bij de grondkamer Noord (hierna: de grondkamer) geregistreerd op 8 maart 2022.

1.4. De grondkamer heeft in beschikking van 1 mei 2023 geoordeeld dat op de pachtwijzigingsovereenkomst de regionorm niet van toepassing is omdat sprake is van een overeenkomst die op 31 augustus 2007 al bestond. In plaats daarvan wordt de geldende pachtprijs jaarlijks (tot 2011 tweejaarlijks) gewijzigd met toepassing van door de Ministers vast te stellen veranderpercentages uit de bij artikel 1 onderdeel b Uitvoeringsregeling pacht behorende bijlage 1, tabel B. De grondkamer heeft overwogen geen mogelijkheid te hebben om af te wijken van de wet, ook niet als dat de nadrukkelijke wens van partijen is. De grondkamer heeft daarom de in de pachtwijzigingsovereenkomst overeengekomen pachtprijs gewijzigd voor het pachtjaar 1 november 2021 tot 1 november 2022 in € 1.773,76 per jaar en de aldus gewijzigde overeenkomst goedgekeurd.

1.5. Een afschrift van die beschikking is aan partijen verzonden op 25 mei 2023 en is in kopie aan deze beschikking gehecht. Naar de beschikking van de grondkamer wordt verwezen voor de procedure bij de grondkamer en de aan de beschikking ten grondslag gelegde motivering.

2 De procedure bij de Centrale Grondkamer

2.1. Verpachtster is met een beroepschrift dat de Centrale Grondkamer op 23 juni 2023 heeft ontvangen in beroep gegaan tegen de beschikking van de grondkamer. Verpachtster heeft de Centrale Grondkamer verzocht de beschikking van de grondkamer te vernietigen en de pachtwijzigingsovereenkomst, ook op het punt van de pachtprijs, alsnog ongewijzigd goed te keuren. Verpachtster vraagt daarnaast vergoeding van de kosten van de procedure.

2.2. Pachter heeft hiertegen verweer gevoerd met een verweerschrift dat de Centrale Grondkamer op 26 juli 2023 heeft ontvangen. Pachter is het eens met het oordeel van de grondkamer.

2.3. Gelet op het bepaalde in artikel 36 lid 3 van de Uitvoeringswet grondkamers is aan partijen gevraagd zich over de ontvankelijkheid van verpachtster nader uit te laten. Verpachtster heeft zich hierover uitgelaten in een brief van 6 oktober 2023. Pachter heeft hier niet op gereageerd.

3 De redenen voor de beslissing

Is beroep mogelijk – de ontvankelijkheid

3.1. De eerste vraag die de Centrale Grondkamer moet beantwoorden is of verpachtster in beroep mag komen van de beschikking van de grondkamer. In juridische woorden gezegd is de vraag of verpachtster ontvankelijk is in haar beroep.

3.2. De kern van het bezwaar van verpachtster tegen de beschikking van de grondkamer is dat de grondkamer volgens verpachtster de pachtwijzigingsovereenkomst ongewijzigd had moeten goedkeuren, ook op het punt van de pachtprijs. Verpachtster is het niet eens met het oordeel van de grondkamer dat toepassing van de regionorm niet mogelijk is.

3.3. Op grond van artikel 36 lid 1 van de Uitvoeringswet grondkamers staat, behoudens het in lid 3 van dat artikel bepaalde, aan partijen binnen een maand, nadat de beschikking aan hen is verzonden, beroep open bij de Centrale Grondkamer. Genoemd lid 3 bepaalt, voor zover hier van belang, dat verpachtster geen beroep kan instellen indien de wijziging door de grondkamer betrekking heeft op een verlaging van de overeengekomen pachtprijs met minder dan 10 procent.

3.4. Partijen zijn in hun pachtovereenkomst een pachtprijs van in totaal € 1.966,50 overeengekomen voor het pachtjaar van 1 november 2021 tot 1 november 2022. De grondkamer heeft deze pachtprijs gewijzigd en bepaald dat een pachtprijs van € 1.773,76 per jaar geldt. De pachtprijs is met minder dan 10 procent dan de overeengekomen pachtprijs verlaagd. Dit zou ertoe leiden dat verpachtster niet in haar beroep kan worden ontvangen.

3.5. Naar de letter van artikel 36 lid 3 van de Uitvoeringswet grondkamers kan verpachtster niet in hoger beroep komen. Verpachtster kan tóch beroep instellen bij de Centrale Grondkamer (in juridische woorden heet dat: het appelverbod doorbreken) onder meer als de grondkamer wettelijke regels ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten of fundamentele rechtsbeginselen heeft geschonden waardoor niet gesproken kan worden van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak.1Een klacht over een verkeerde toepassing van een wettelijke regel is geen beroepsgrond die het appelverbod kan doorbreken.2

3.6. Verpachtster heeft in dat kader het volgende gesteld. De grondkamer heeft ten onrechte de systematiek van vóór 31 augustus 2007 toegepast op de pachtwijzigingsovereenkomst. Daarmee heeft de grondkamer wettelijke regels buiten beschouwing gelaten, zodat sprake is van een doorbrekingsgrond. Verpachtster meent dat zij ontvankelijk is in haar beroep.

3.7. De Centrale Grondkamer is van oordeel dat het betoog van verpachtster over het bestaan van een doorbrekingsgrond niet opgaat. Uit de stellingen van verpachtster volgt dat de grondkamer het Pachtprijzenbesluit 2007 onjuist zou hebben toegepast. Van het buiten toepassing laten van het Pachtprijzenbesluit 2007 is dan ook geen sprake. Gesteld noch gebleken is dat de grondkamer fundamentele rechtsbeginselen heeft geschonden. De conclusie van een en ander is dat verpachtster niet in beroep mag komen en dus niet-ontvankelijk is in haar beroep.

1. Beschikking van de Centrale Grondkamer van 14 januari 2021, zaaknummer GP 11.813, gepubliceerd in TvAR 2021/8059. 2 Beschikking van de Centrale Grondkamer van 10 juni 2013, zaaknummer GP 11.705, gepubliceerd in TvAR 2013/5745.

4. De beslissing

De Centrale Grondkamer, beschikkende in hoger beroep:

verklaart verpachtster niet-ontvankelijk in haar beroep. Deze beschikking is gegeven op 9 juli 2024 door mrs. M.S.A. van Dam, W.F. Boele en B.J.H. Hofstee en de deskundige leden ing. P. Kerkstra en B.Th.W. Lamers, in tegenwoordigheid van mr. M. Knipping-Verbeek als griffier.